woensdag 24 juli 2013

Goede levens - Yildiz Karadag

Het tuinhek kraakt even als er een breedlachende man door de opening loopt, met zijn armen wijd uitgespreid roepend om de kinderen, met een langgerekt 'Allah' vastgemaakt aan het laatste woord. Nu hij ouder is roept hij steeds vaker een langgerekt Allah aan, net als zijn moeder dat voor hem deed.
Ik zie dat zijn gebit nog altijd niet goed past maar het maakt zijn hoofd wel mooier. Haalt hij het gebit eruit, wat hij af en toe natuurlijk moet doen, dan is het plots een oude, oude man. Maar met gebit en grijzende kortgehouden haren, is het nog steeds een knappe man, mijn Turkse vader. De hemdsmouwen opgestroopt, want het is een mooie dag.
We zitten in de tuin. Mijn vader en mijn man discussiëren over een spelletje backgammon. Mijn vader is aan het winnen. Naast hen in een ijsemmer een fles Yeni Raki. De groene haag die onze tuin scheidt van de buren zit vol nieuw blad en de geur van magnolia drijft naar ons toe op het zuchtje
wind uit het zuiden.
Mijn moeder geniet van de zon, met mijn dochter op schoot. Mijn zoon springt op de trampoline en roept dat opa moet kijken terwijl hij een koprol doet. Ik haal nog een glas koude rose voor mijn moeder. Ze blijven slapen vannacht. En morgenochtend ontbijt ik met mijn moeder en kinderen, terwijl de mannen nog op bed liggen. Uiteraard. Als altijd. Ik heb ze nog.

De werkelijkheid is anders.
Ik denk terug aan hoe mijn knappe vader met een ingevallen gezicht en schimmel in zijn mond op het ziekenhuisbed in de woonkamer ligt. De tumor in zijn hoofd was bij ontdekking bijkans zo groot als zijn hele linkerhersenkwab. Nadat ze het vocht eromheen hebben verdreven met medicijnen bleef er een golfbal over ergens diep in zijn hoofd waar chirurgisch staal niet bij kon. Agressief vraagt hij om baklava, dat een goedbedoelde vriend meebracht. Ik geef het hem niet, ik weet dat dat zijn suiker in de war schopt waardoor hij nog agressiever wordt. Ik krijg een lege kop naar mijn hoofd gegooid die uiteenspat tegen het keukenkastje. En de vriend fluistert me in een hoek toe dat je een stervende alles moet geven wat hij wil.
Ik herinner me mijn dode moeder die haar vuisten heeft gebald om het laken dat haar omhulde, gestorven in haar slaap. Ik ga naast haar liggen en adem de vreemde geur die de dood met zich meebrengt in. Ik aai over haar arm, ik houd haar vast. Ze is nog warm. De bejaarde kater komt de slaapkamer niet in, maar blijft respectvol op de drempel zitten.
Ik was 24, single, met een goede baan, zonder kinderen en zonder ouders. Ik heb er plekjes voor gevonden. Het slagveld van verlies in mijn borstkas kostte tijd, tijd om de gaten af te smeren of dicht te metselen. Ik heb een monument opgericht ergens links in mijn hart. Daar zie ik hun handen die na al die tijd scherper zijn onthouden dan de gezichten. Ze houden me vast als ik het nodig heb. Ik ben ervan overtuigd dat zij, samen met mijn dode schoonmoeder, daar bij de sterren hebben samengespannen in de keten van gebeurtenissen die mij voorstelde aan mijn man. Een goede match, zullen ze glimlachen daarboven.

Als we in de tuin zitten, schijnt de avondzon gouden stralen door de geurende kamperfoelie. Terwijl de kinderen nog wat sputteren vlak voor ze naar bed moeten, met nog natte haren van het zwemmen, genieten we van de rust die komen gaat. We hebben een mooi fijn huis, een grote tuin. Ik heb een lieve goede man die in mijn bloed is gekropen, en twee gezonde kinderen. Wat wil je nog meer? Nou, mijn ouders zo af en toe op bezoek, zou ik zo zeggen. En dat kan niet. Dan maar de gouden avondzon met een klein wolkje er vlakbij. En ernaast de poolster als voorbode van zicht op de melkweg. Daar in de verte zouden ze moeten wonen als we onze eigen uitleg zouden moeten geloven, bij de sterren. Soms knipoogt er een terug. Dat is mijn moeder die me groet. Soms valt er een uit de hemel. Dat is mijn vader die naar me zwaait. De avond is helder. De avond is goed.

Het museum der herinneringen - Ann Langeraet

Er zijn gradaties in herinneringen.
We kennen ze een emotionele waarde toe. Een parameter die onveranderlijk een plaats moet vinden tussen de twee uitersten: wonderbaarlijke en onmenselijke herinneringen. Al zijn er vreemd genoeg ook herinneringen die aan beide kanten van de balans thuishoren.

Het grootste deel van Johanna's herinneringen bevond zich aan de onmenselijke kant. Ze was pas zeventien maar ze had meer onmenselijkheid verzameld op een paar jaar tijd dan de meeste tachtigjarigen in een mensenleven. In het concentratiekamp van Auschwitz was ze van 's morgens tot 's avonds bezig met het creëren van een museum hierrond. Ze catalogeerde, ordende, vulde vitrinekasten. Ze wandelde tussen de museumstukken en veegde er uiterst voorzichtig het stof af. Het leek haar het enige wat je kon doen.
 
Je kon niet aan de toekomst denken want die had men je afgenomen. Het heden was te verschrikkelijk om zelfs maar lijfelijk in aanwezig te zijn, dus moest je vluchten met je gedachten, hoe verder, hoe liever. Je moest teruggaan naar het afgehakte verleden, het verdwenen lichaamsdeel. Je moest gaan zoeken, sprokkelen, rapen. Je moest gaan plukken in een boomgaard waarvan de bomen geen vruchten meer zouden dragen. Je dwaalde rond in wat geweest was tot je niets meer vond behalve weemoed. Over verdriet werd niet gesproken, verdriet was er altijd. Het was een ziektekiem die in elke vezel van je lichaam woekerde, zodat je er op lange termijn immuun voor werd.
 
Dus verzamelde Johanna herinneringen. En mensen. Herinneringen aan mensen. En zo behield ze een glimlach in haar hart. Maar hoe hard ze ook haar best deed, elke ochtend als ze aankwam in haar museum, moest ze eerst voorbij de meest onmenselijke herinneringen. Er was geen andere weg. Er was geen achterpoortje. Ze hingen vastgebeiteld aan de inkomhal en ze moest erlangs. Alsof ze door een cinema liep waarin de films vanzelf begonnen te spelen, alleen voor haar. Als een verklaring waarom ze hier was. Als om haar evolutie van mens naar omhulsel uit te leggen.

De eerste film speelt zich af in haar school. Tijdens de wiskundeles wordt de deur van het klaslokaal bruusk opengegooid. Vier Duitse soldaten in een groen uniform stappen ijzig binnen. Eén soldaat haalt een document boven en zegt met een bijtende stem haar naam. Hoe ze aarzelend overeind komt en angstig naar voren stapt in haar zwarte jurk. Hoe ze bij de armen wordt gegrepen en de gang doorgesleurd. Hoe ze geluidloos begint te huilen. Hoe haar gezicht het gezicht van haar ouders wordt op dat moment. Haar vader en moeder ineen. En dan niets meer.

De tweede film speelt zich af in een trein. Een wagon. Lichamen tegen elkaar geplakt in een walm van zweet, urine, braaksel, uitwerpselen en tranen. Vreemde lichamen die zo lang tegen je aangedrukt staan, dat je niet meer weet waar jouw lichaam eindigt en het volgende begint. En het besef dat dat er allemaal niet toe doet. Dat waar het om gaat de lichamen zijn waar je steeds verder van verwijderd raakt. De lichamen waar jij mee begon. Die jou zijn. En dan niets meer.

De derde film begint zoals de eerste film. Een Duitser met een lijst die haar naam afroept. Ditmaal in een barak met een speldenknop mensen die zo mager en verzwakt zijn dat ze nauwelijks nog rechtop kunnen staan. Hoe ze met geschoren hoofd haar doodsvonnis aanhoort. Haar ogen openspert en verstart. Hoe ze een voet vooruit wil zetten maar dat niet kan. Hoe ze een jonge vrouw naar voren ziet stappen en in de groep achter de Duitser plaats vatten. Hoe ze haar mond opent om te schreeuwen. Maar zwijgt. Hoe het meisje zelfzeker naar iedereen kijkt. Bij wijze van afscheid. Van verlossing. En dan niets meer.

Het museum van Johanna werd gesloten op 7 februari 1996. Ze keerde terug naar Nederland na de bevrijding en vulde nog meer dan vijftig jaar haar museum aan. Haar ouders zag ze nooit meer terug. Elke dag was ze te vinden in haar museum, zelfs op dagen dat ze dat niet wou. De inkomhal veranderde nooit. Al kreeg de derde film postuum wel een ereplaats.

1960 - Conny Kalkhoven

Mama heeft me op tafel gezet en doet een pas gestreken rode strik in mijn haar. Vandaag is het feest, gisteren ben ik drie geworden en eindelijk ga ik naar school! Nog niet naar de hele echte, mama zegt: 'Je mag naar de zusters van het driejarigenschooltje.' Grote broer zal me brengen, die eerste keer.
Aad wil eerst knikkeren op de Nieuwe Rijn, als de klok slaat moeten we opeens hollen. Hij trekt me over de Kraaierbrug, door donkere kromme steegjes. 'Schiet op, het is veel te laat!' We rennen zo hard we kunnen. Dan duwt hij me plotseling ergens naar binnen, roept 'Dag!' en de deur slaat dreunend achter me dicht.

Een hoge gang met langs de muur allemaal jassen. Er is niemand te bekennen. Aarzelend zet ik wat stappen naar de kapstok, schrik van het galmende geluid. Ik worstel met de stugge stof van m'n jas, één arm blijft steken in de mouw op mijn rug en ik probeer me driftig los te schudden. Dan lijkt die jas zomaar van me weg te zweven! Verbaasd kijk ik langs de plooien van een lange zwarte rok omhoog. Een lief gezicht met daar omheen een witte rand. Dit moet vast een zuster zijn! Ze hangt mijn jas op en pakt mijn hand. 'Kom maar kleintje, ben je nieuw vandaag?' Ze steekt haar hoofd om de hoek van een deur, zegt iets en geeft me een vriendelijk zetje naar binnen.

De zuster voor de klas heeft een blinkende gouden bril, waardoor ik haar ogen niet kan zien. Altijd hetzelfde liedje gromt ze, trekt me aan mijn arm op een soort trapje voor het bord, slaat dan kletsend met een stok op haar lessenaar. 'Kijk allemaal eens naar dit kind,' roept ze, 'voor het eerst op school en meteen al te laat!' Daar sta ik dan. Ik durf me niet te bewegen en laat mijn hoofd hangen. De kinderen joelen en lachen, ik plas een beetje in mn broek. De zuster trekt me weer van het trapje af, zet me aan een tafeltje. Er liggen wat blokjes op, nabibberend stapel ik ze op, leg ze naast elkaar, maak rijtjes. Het verveelt al snel. Om me heen glurend zie ik andere kinderen, elk alleen aan net zo'n tafeltje, het is dus niet voor straf ofzo.
 
Doodstil is het - niemand praat, niemand lacht meer. Mijn keel voelt dik, moet ik de hele tijd met die paar blokjes blijven spelen? De zuster loopt met ferme passen tussen de rijen door. Voorzichtig kijk ik over m'n schouder, en ontdek achter in de klas een lange tafel. Voorzichtig sta ik half op om het beter te kunnen zien. Een boerderij met dieren, een poppenwagen, alles heel klein! Een jongetje schuift een brandweerauto heen en weer, en een paar kinderen zijn aan het verven en plakken. Puzzels, een teddybeer, het mooiste speelgoed hebben ze daar!

Wat kunnen zusters stilletjes lopen! Zomaar opeens ligt er een hand op mijn schouder die me stevig omlaag duwt. 'Zitten jij!' Het mooie speelgoed is zo verleidelijk dat ik mijn angst vergeet. Ik wijs naar de grote tafel en vraag schor 'Mag ik ook daar spelen?' Zusters mond vertrekt, ze laat haar tanden zien. Lacht ze of is ze boos? Langzaam buigt ze naar me over en sist dan vlakbij mn gezicht: 'Had je moeder maar cénten moeten betalen!'
 
Even wacht ik nog, tot ze zich omdraait. Dan spring ik van m'n stoeltje en vlucht naar de deur, gooi 'em open, ren de lange gang door naar buiten. Mijn broek is nat, mijn jas ben ik vergeten. Al die kronkelsteegjes door blijf ik hollen, gelukkig herken ik de Kraaierstraat, de brug, het touwtje hangt uit de deur. Binnen gooi ik mijn hoofd tegen mama's schort en vertel snikkend wat er gebeurd is. Allebei haar handen liggen om mijn hoofd, haar buik ruikt heerlijk veilig naar chloor en boenwas. 'Blijf jij maar bij mama hoor puk, daar hoef je nooit meer heen!'.
Ze pakt de bezem die ze had laten vallen weer op, de knokkels van haar hand worden wit als ze de steel vastgrijpt. Met donkere ogen kijkt ze in de verte en gromt: 'Zijn ze nou helemaal belázerd!'

Krulletje - Marjan van Apeldoorn

Zojuist is ze geweest. De mevrouw van de Raad voor de Kinderbescherming. Een eerlijke Noord-Hollandse maatschappelijk werkster in een spijkerbroek met kleine krulletjes.
Op de fiets. Oké.

'Kom binnen,' piep ik eruit. Ik merk dat mijn door mijn genen opgelegde drang naar vrijheid de kop op steekt. Het kan toch niet waar zijn dat er zomaar een mevrouw mijn huis binnenkomt om te kijken hoe het met mijn pedagoochelkunsten en relatie is gesteld? Dit wil ik toch helemaal niet? Maar nee, ik zucht verstandig en laat haar binnenkomen. Om haar te verleiden en te coqueteren met mijn huisvlijtkunsten heb ik een cake gebakken. Dit is iets wat ik eigenlijk zelden doe, maar het geeft zon gezellig gevoel. De mevrouw hoeft geen koffie, en ook geen cake. Een glaasje water is voldoende. Oké.

'Komt u zitten.' De mevrouw stelt zich nauwelijks hoorbaar voor en valt meteen met de deur in huis. Waarom we voor adoptie kiezen. Omdat we een kind willen en dat natuurlijk niet gaat zoals we willen. 'En waarom is dat?', vraagt zij zonder gêne. En voor ik het weet zit ik de mevrouw te vertellen dat met mijn binnenwerk en het zaad van Danil niets mis is. Dat is allemaal picobello in orde hoor, mevrouw. Maar er gebeurt alleen niets. Heel rottig ja, en inderdaad ook al voor naar de dokter geweest en toen allemaal onderzoeken, en toen met de benen wijd, en toen IVF en toen ICSI en toen niets, en toen niets... Waar gaat dit over? Waarom vertel ik dit zomaar? Omdat iemand die ik niet ken het me zomaar vraagt en zo, ploep, bij me binnenkomt dat ik eigenlijk maar een ding kan en dat is schaapachtig antwoord geven. Bèè....we zijn onbegrepen onvruchtbaar mevrouw, bèè, bèè. En dan daarom dus adoptie. Blank of zwart maakt ons niet uit. En ach, tussen onze genen zitten ook verdomd rottige stukjes, dus dat we die missen is niet zo'n ramp.

Jong, we zijn jong en dat is goed. Hadden we al nagedacht over de special needs die ons kind mag hebben? Hepatitis B, een hazelipje, een handje eraf, of toch liever een wijnvlek in het gelaat of een tikkeltje doof? We kijken elkaar aan. Geef jij het goede antwoord, lieverd? Voor ons is het heel belangrijk dat het kind een zelfstandig leven kan opbouwen, een kleine special need is voor ons oké. Een krulletje achter het kopje special need. Trots kijk ik Danil aan. Goed gedaan, schat.

Of we wel eens in het buitenland zijn geweest. Ja. We reizen graag. En zijn jullie dan wel eens met armoede geconfronteerd? Ja. Krulletje. En zijn er, behalve omdat jullie graag een kind willen, nog andere redenen om te adopteren? Ja. Kans op beter leven. Weeshuis is ook niet alles. Krulletje. Het gaat goed Daan, ga door. En jullie steunsysteem, jullie STEUNsysteem, hoe staat dat erin? Ik vertel dat mijn moeder de hele buurt al op de hoogte heeft gesteld van de komst van onze droom, dat mijn schoonvader de maandag vrij gaat maken om te komen oppassen en dat we zulke leuke adoptievrienden hebben. Een inkoppertje. Weer een krulletje.

Wat goed dat jullie open staan voor het contact met de biologische moeder. Heel goed. Wat staan jullie er mooi in zeg. En als er nou niet zoveel informatie over de moeder is, hoe gaan jullie dat dan doen? Hoe zien jullie dat voor jullie? Ik kijk naar links. Antwoord. Een antwoord op deze vraag. 'Ik zie voor me,' zeg ik dan, 'dat ik in zon geval een dagboek ga bijhouden over de begintijd.' Ik schrijf over de wintersportvakantie vaak al een dagboek, laat staan de reis naar ons adoptiekind. Dat komt wel goed, dat wordt een leuk documentje. 'Mooi, heel mooi,' zegt de mevrouw terwijl ze naarstig haar notitieblokje vol pent.

Maar, en dan komt er een strikvraag, we moeten bij de les blijven. Maar... wat als jullie kind het dagboek dan niet in wil kijken tijdens de puberteit. Want ieder kind is anders, daarin zijn adoptiekinderen dan weer echt niet anders. Wat dan? Dan zit jij daar als goede moeder met je dagboek. Gelukkig heeft Danil een antwoord. Hij kijkt er dan wel af en toe in.

Voor de volgende afspraak krijgen we een huiswerkopdracht. We gaan dan praten over onze relatie. Met elkaar en met onze omgeving. En dat mag heel open. Hoe meer we vertellen, hoe beter. Oh ja?, vraag ik me af. Denk je? Over ons kleine nichtje, wat voortgekomen is uit een relatie tussen een verslaafde jongen en mijn zusje, wou ik het, al jullie nuances bij elkaar genomen, toch iets minder expliciet hebben. Maar leuk, vertel....huiswerk. Hoe we elkaar kennen (het internet wordt een bijzondere ontmoeting in de trein, ik weet niet hoe de gemiddelde Afrikaan over internetdaten denkt), of onze relatie goed is, of we wel eens naar een psycholoog zijn geweest (ja hoor en is dat dan goed of slecht?) en hoe de communicatie met onze ouders is.

Ik heb er zin in, dat huiswerk.

Alles voor een kind met krulletjes uit Afrika.

Afscheid - Jannet Fink

'There is no greater sorrow than to recall a happy time in times of misery' (Dante)

Ik zit aan de tafel Proust te lezen, maar mijn gedachten dwalen telkens af. Het zijn ook draken van zinnen. Ik kijk op. Een pimpelmeesje vliegt schichtig langs het raam. Donzig bolletje geel met blauw, glimmende kraaloogjes verborgen in het donker van zijn kopje. Scherp snaveltje, iele pootjes als klauwtjes waarmee hij zich vasthaakt aan het vetbolletje in de kerstboom voor het huis. Op de donkergroene takken ligt een dun laagje rijp. Het hele landschap is gehuld in een winterse verstildheid. Behalve de vogeltjes die af en aan vliegen, is er buiten nauwelijks beweging.

Oma slaapt. Ze zit op haar vertrouwde plekje in de grote leren stoel bij de gaskachel, die roodgloeiend vlamt. Haar mond hangt een eindje open. Haar beide benen, dik door opgehoopt vocht, rusten op het haardbankje. Ik denk aan haar woorden op eerste kerstdag: "Wat hew' 't er mooi had, hè." Ja. Al die gouden dagen. "Een beter vekaansie adres kuj' toch niet krieg'n." Nee. Een mooie bijkomstigheid bij het wonen overzee, dat ik hier weer eens logeer. Terwijl zij ... Stel dat zij hier nu in haar slaap blijft en niet meer terug hoeft naar dat verzorgingstehuis.

Ik word opgeschrikt door het knerpende geluid van autobanden op het grind, gevolgd door het dichtslaan van portieren. Onmiddellijk verschijnen de kinderen opgewonden in de kamer: "Opa en oma zijn er!" Oma doet haar ogen open. "Papa en mama zijn er," zeg ik. Ze lacht: "Oh, dan bliew' nog eev'n!"
 
Oudejaarsnacht ga ik om twaalf uur even naar buiten. Om het huis is het stil. In het donker flitst het vuurwerk dat in de omliggende dorpen is afgestoken. Iemand heeft, net als opa vroeger, een lichtkogel afgevuurd, die een tijdlang het witbevroren landschap verlicht. Als de lichtkogel is uitgedoofd, is alles ineens pikzwart.

Terug in Edinburgh zie ik in de etalage van een speelgoedwinkel een pimpelmeesje. Ik stap de winkel binnen en bekijk het beestje. Het is een vingerpopje van pluche stof. Ik twijfel. Ze is al eenennegentig. Het haakje waaraan je hem kan ophangen geeft de doorslag. In de brief die ik met het vogeltje meestuur schrijf ik dat we in de kerstvakantie zo genoten hebben van de pimpeltjes die bij het voer gingen. En dat ik lentekriebels voel omdat de dagen lengen. Heerlijk dat die donkere tijd voorbij is. Ik sluit af met een opgewekt 'tot ziens!'

De volgende keer dat ik haar zie, ligt ze opgebaard in de aula. In het kille kamertje brandt de kaars die jarenlang op het kastje onder de klok heeft gestaan. De namen van alle kinderen en kleinkinderen staan erop, ter ere van het vijfenvijftigjarig huwelijk. Hij brandt nu voor het eerst. Een paar tantes staan op gedempte toon druk pratend om de kist. Een vertrouwd geredder bij oma. Maar ze hoort het niet, haar ogen zijn gesloten, haar handen gevouwen. Die handen ontroeren mij. Ik zie haar nog zitten in de gebloemde schort, zoete appeltjes schillend, het vuilgele teiltje op schoot. Het is een rare gewaarwording, of ze elk ogenblik overeind kan komen. Maar met een knijpend gevoel van binnen besef ik dat dit afscheid definitief is.

Ik glimlach door mijn tranen heen als ik op de 'liturgie ter gelegenheid van de Dienst van Woord en Gebed voorafgaande aan de crematie' een pimpelmeesje zie afgebeeld. Die dag in de kerstvakantie dat wij haar opgehaald hebben naar haar oude huis, toen zij nog zo genoten heeft van de vogels in de tuin, is achteraf de laatste keer geweest dat zij daar was. Halverwege de dienst treed ik met kloppend hart naar voren. Mijn onvaste stem klinkt door de microfoon:
 
"Buiten rook je mest, agrarische lucht
De kippen, de hond die we aaiden door het gaas
In het bos het rottend hout en hars en
Stinkende fazantenpoep aan je blote voeten
De oude schuur in de hitte van de zon
Ruwe olie en carbolineum
Op de deel geuren van verf en koffie, versgebakken brood, gebraden vlees
De zure gist als het deeg stond te rijzen op de kachel
Opa's borrel bij het kaarten met een plak leverworst of rollade
De stoffige zolder, de muffe oude boeken
Klamme flanellen lakens waar je 's avonds
Rillend tussen kroop en 's morgens warm in wakker werd
Achter 't beschot het oud papier, met de lege doosjes speelden wij winkeltje
Geur van karton vermengd met waspoeder, hondenbrokken, Tabac-zeep
Oudejaarsdag damp van oliebollen en zwavel
De gure vrieslucht buiten
De warmte van de kachel
Oma's vest. Het was mij al
Die jaren dierbaar envertrouwd."

Het beloofde land van toen en later - Moos


De Franse dichter Achard schreef dat je de liefde onmogelijk kunt verspillen, maar nu ik in jouw ogen kijk en het maanlicht flets in je irissen weerspiegelt, ben ik daar al lang niet meer zo zeker van. Ik heb alles op het spel gezet. En waarvoor? Gestolen uren. Mijn leven voor een aanraking, mijn liefde voor een blik van het oog, mijn geluk voor je lippen tegen de mijne. We staan ergens in de polder tegen een schuurtje geleund, onze voeten weggezakt in het zompige weiland. Het miezert. Onzichtbare regen valt als een voorbode van tegenspoed op onze haren. Het zal niet lang meer duren of we moeten gaan. Je wordt verwacht, net als ik. Het is al bijna middernacht en ik weet niet hoe ik hier beland ben, maar als je mij een maand geleden had verteld dat ik nu hier zou zijn, had ik je voor gek verklaard.
 
Je pakt aarzelend mijn hand en legt je hoofd tegen mijn schouder. Zachtjes citeer je Smedley. 'In liefde en oorlog is alles geoorloofd.' Een witte leugen in ons overspelige lot, maar is die wel zo geloofwaardig uit de pen van een eenzame negentiende-eeuwse schrijver die zijn hele leven bij een familielid woonde? Zou hij ook ooit met de liefde van zijn leven in de polder hebben gestaan met de onomstotelijke en onomkeerbare overtuiging dat er geen god in de wereld was die hem nog kon redden van dit gevoel van bitterzoete passie? Nu pas begrijp ik waarom de dichter Aragon schreef dat het gemakkelijker is te sterven dan lief te hebben. En nu pas weet ik wat Jane Austen bedoelde toen ze stelde dat er zo veel soorten liefde zijn, als er momenten zijn in de tijd. De liefde; het beloofde land van toen en later. Een land waarin je zoekt, maar zelden vindt. Een land van hoop en dromen. Toen was alles immers beter en later komt het allemaal wel goed.

Ik voel je hand zachtjes knijpen in de mijne. Je fluistert dat hoop een heimelijk verlangen is naar het onmogelijke, dat je zou willen dat de hele mensheid uitgestorven was behalve wij, dat je de tijd voor altijd stil wil zetten om dit moment te blijven lengen. Ik wil je kussen en omhelzen, maar ik kan het niet omdat ik weet dat ik je nooit meer los zal willen laten. Misschien is dit de laatste keer, ik weet het niet. Wij weten niets meer. Wij zijn moedige dwazen, wij leveren het bewijs dat overspel een doolhof is waarin je onherroepelijk verdwaald en al je principes en overtuigingen uit het zicht raken en verdwijnen.

'Ik haat je', fluister je terwijl je lippen langs mijn hand glijden. 'Ik haat je zo verschrikkelijk.' Ik breng mijn gezicht naar het jouwe tot onze voorhoofden elkaar raken. Je kijkt me aan vanonder je wimpers. Nog nooit heb ik iemand zo graag willen kussen als nu, nog nooit heb ik iemand in zon korte tijd zoveel mooier zien worden. 'Ik moet gaan', zeg je. 'Ik heb hem beloofd dat ik zou bellen.' Je zwijgt even en slaat je ogen neer. In een ander leven ik een schelp en jij mijn wederhelft. 'Ik zal je nooit uit het oog verliezen', zeg ik, 'en als dat toch gebeurt, zal ik alle stranden van de wereld afzoeken om je te vinden.' Je glimlacht door je tranen heen, knijpt nog even in mijn hand en dan verdwijn je in de nacht.

Ik kijk je na tot je uit het zicht verdwenen bent. In de verte regent het al. Donkere wolken pakken zich samen. De maan schijnt als een stille getuige van verboden liefde over het weiland. Ik ben gelukkiger en ongelukkiger dan ooit. Alles is dubbel nu. Alles wat echt leek, blijkt gelogen. Ik weet niet meer wie ik ben en wat ik voel. Ik weet alleen maar dat ik liever sterven zou dan dat ik jou nooit meer zal zien. Met een zwaar gevoel in mijn maag sjok ik in tegenovergestelde richting het weiland af. Terug naar huis. Een huis dat al lang geen thuis meer voor me is.

48 24 11 - Hugo Shapiro

Mijn moeder ziet niet dat ik de kamer van haar flat binnenkom. Ze zit midden in haar koninkrijkje van zes vierkante meter. Op de bank rechts van haar de nog te lezen boeken, kranten en tijdschriften. Links de mobiel, de agenda, de afstandsbediening en wat sudoku puzzels. Onder handbereik de kruk en de rollator. Op tafel een mok met cappuccino, voor de helft opgedronken. Een zilveren pen en allemaal kleine briefjes met opdrachten en karweitjes voor iedereen die langs komt. Haar gehoorapparaten. Midden op tafel een vaas met bloemen van het laatste bezoek. Ver buiten de grenzen van haar rijk staat de televisie aan.

Ze zit een beetje voor zich uit te staren. Ze ziet er anders uit dan anders. Ze keert haar hoofd in mijn richting. De uitdrukking van haar gezicht verandert als ik dichterbij kom. Signalerend, herkennend, glimlachend. Ik kus haar op haar oude wang en ruik iets van een soort klassiek luchtje. 'Ik ga eerst even de boodschappen uitpakken', zeg ik. Die boodschappen bestaan uit drie dozen met patisserie
produkten, een fles port en geld.

Ze zit op vier hoog en heeft een prachtig uitzicht op een bos en een tussen bomen en struiken half verscholen dal dat een keer per tien minuten een gele trein langs zuigt. Een gouden kooi, noemde een Limburgse zwager van me haar verblijf. Ze woont in een dorp met rustige rijke mensen. Met even dure als onopvallende kleren die ze wel tien jaar dragen.
 
Door haar vele verhuizingen naar kleinere lokaties zijn al haar rijke herinneringen ingedampt tot een smalle representatieve selectie. Veel brieven en fotos van kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen. Mijn vader, intussen behoorlijk verbleekt in de zilveren lijst. Herinneringen aan vakanties in de bergen en in Engeland. Kasten vol muziek en boeken over musea. De tijden van oorlogen, notabelen, dienstbodes en - een nu niet meer bestaande - gemakkelijke toegang tot luxe.

'Gisteren kreeg ik bezoek van een mevrouw van de thuiszorg, een soort manager', vertelt ze. 'Ze wilde weten hoe het ging, of de hulpen het goed deden en of er nog wensen waren.' Ze voelt even aan haar hoofd. 'Toen ze net binnen was zei ze: ik noem drie getallen van twee cijfers en als ik wegga vraag ik aan u of u ze nog weet: achtenveertig, vierentwintig elf.' 'Aha', zei ik. Dat is zeker een primitieve dementie test. 'Ze ging na een half uurtje weg. Leuke vrouw. Natuurlijk vroeg ze of ik de getallen nog wist. De eerste twee wist ik nog, de derde was ik vergeten. Maar ik was wel geslaagd voor de test, zei ze.'

Als ik op kijk zie ik dat ze onbeweeglijk is, stil zit, met haar ogen dicht. Doodstil heet dat. God, als ze maar niet echt dood is, denk ik. Dat is altijd mijn grote angst geweest. Ik ga op bezoek en ik tref haar dood op de bank aan. Wat moet ik doen, wie moet ik bellen. Maar haar borst beweegt licht op en neer. Ze doet haar ogen weer open en lacht een beetje. Maar achter haar ogen lijkt iets uitgegaan.

'Waar heb je mijn pen gelaten?', vraagt ze in paniek. 'Nou is ie voor altijd weg. Of gestolen. Er komen ook zo veel verschillende mensen in huis.' Ik kijk. Hij is gevallen. 'Daar. Ik raap hem wel op.' Ze zwijgt even. 'Weet je', zegt ze. 'Ik heb altijd honderd duizenden kleine beeldjes van mijn leven in mijn hoofd zitten. Nu zijn er wel duizend weg. Ik denk misschien wel drie duizend. Ik weet het niet. Ik zit opeens in een heel andere wereld. Het is naar.' Ze valt weer even in slaap. Het eerste wat ze zegt als ze haar vreemde ogen weer open doet is: 'Vind je dat ik nu nog een ontbijtje moet maken of niet?'
 
Rond half drie sta ik in de lift. Achtenveertig vierentwintig twaalf, zeg ik tegen mezelf. Ik weet het nog. Vraag me nog steeds af wat ze bedoelde met moet ik nu nog een ontbijtje maken? Ik ben vanmorgen vergeten om een ontbijt te maken. Of: Waarom zou ik eigenlijk nog ontbijten?