Het tuinhek kraakt even als er een breedlachende man door de opening loopt, met zijn armen wijd uitgespreid roepend om de kinderen, met een langgerekt 'Allah' vastgemaakt aan het laatste woord. Nu hij ouder is roept hij steeds vaker een langgerekt Allah aan, net als zijn moeder dat voor hem deed.
Ik zie dat zijn gebit nog altijd niet goed past maar het maakt zijn hoofd wel mooier. Haalt hij het gebit eruit, wat hij af en toe natuurlijk moet doen, dan is het plots een oude, oude man. Maar met gebit en grijzende kortgehouden haren, is het nog steeds een knappe man, mijn Turkse vader. De hemdsmouwen opgestroopt, want het is een mooie dag.
We zitten in de tuin. Mijn vader en mijn man discussiëren over een spelletje backgammon. Mijn vader is aan het winnen. Naast hen in een ijsemmer een fles Yeni Raki. De groene haag die onze tuin scheidt van de buren zit vol nieuw blad en de geur van magnolia drijft naar ons toe op het zuchtje
wind uit het zuiden.Mijn moeder geniet van de zon, met mijn dochter op schoot. Mijn zoon springt op de trampoline en roept dat opa moet kijken terwijl hij een koprol doet. Ik haal nog een glas koude rose voor mijn moeder. Ze blijven slapen vannacht. En morgenochtend ontbijt ik met mijn moeder en kinderen, terwijl de mannen nog op bed liggen. Uiteraard. Als altijd. Ik heb ze nog.
De werkelijkheid is anders.
Ik denk terug aan hoe mijn knappe vader met een ingevallen gezicht en schimmel in zijn mond op het ziekenhuisbed in de woonkamer ligt. De tumor in zijn hoofd was bij ontdekking bijkans zo groot als zijn hele linkerhersenkwab. Nadat ze het vocht eromheen hebben verdreven met medicijnen bleef er een golfbal over ergens diep in zijn hoofd waar chirurgisch staal niet bij kon. Agressief vraagt hij om baklava, dat een goedbedoelde vriend meebracht. Ik geef het hem niet, ik weet dat dat zijn suiker in de war schopt waardoor hij nog agressiever wordt. Ik krijg een lege kop naar mijn hoofd gegooid die uiteenspat tegen het keukenkastje. En de vriend fluistert me in een hoek toe dat je een stervende alles moet geven wat hij wil.
Ik herinner me mijn dode moeder die haar vuisten heeft gebald om het laken dat haar omhulde, gestorven in haar slaap. Ik ga naast haar liggen en adem de vreemde geur die de dood met zich meebrengt in. Ik aai over haar arm, ik houd haar vast. Ze is nog warm. De bejaarde kater komt de slaapkamer niet in, maar blijft respectvol op de drempel zitten.
Ik was 24, single, met een goede baan, zonder kinderen en zonder ouders. Ik heb er plekjes voor gevonden. Het slagveld van verlies in mijn borstkas kostte tijd, tijd om de gaten af te smeren of dicht te metselen. Ik heb een monument opgericht ergens links in mijn hart. Daar zie ik hun handen die na al die tijd scherper zijn onthouden dan de gezichten. Ze houden me vast als ik het nodig heb. Ik ben ervan overtuigd dat zij, samen met mijn dode schoonmoeder, daar bij de sterren hebben samengespannen in de keten van gebeurtenissen die mij voorstelde aan mijn man. Een goede match, zullen ze glimlachen daarboven.
Als we in de tuin zitten, schijnt de avondzon gouden stralen door de geurende kamperfoelie. Terwijl de kinderen nog wat sputteren vlak voor ze naar bed moeten, met nog natte haren van het zwemmen, genieten we van de rust die komen gaat. We hebben een mooi fijn huis, een grote tuin. Ik heb een lieve goede man die in mijn bloed is gekropen, en twee gezonde kinderen. Wat wil je nog meer? Nou, mijn ouders zo af en toe op bezoek, zou ik zo zeggen. En dat kan niet. Dan maar de gouden avondzon met een klein wolkje er vlakbij. En ernaast de poolster als voorbode van zicht op de melkweg. Daar in de verte zouden ze moeten wonen als we onze eigen uitleg zouden moeten geloven, bij de sterren. Soms knipoogt er een terug. Dat is mijn moeder die me groet. Soms valt er een uit de hemel. Dat is mijn vader die naar me zwaait. De avond is helder. De avond is goed.