donderdag 12 april 2012

Rudy Algera: Brams zoekmaatje


Dit is een verhaal uit het Boekenweekproject van dewebschrijvers.nl
met het thema "Vriendschap en andere ongemakken"
  
Brams zoekmaatje
door Rudy Algera

In het studentenhuis waren mijn agorafobie en het fenomeen spin een running gag. Iemand had zo’n groot langpotig griezelbeest van rubber in een feestneuswinkel gekocht en boven de deurkruk van mijn kamer vastgeplakt. Jaap, de lange nerdstudent natuurkunde, beweerde dat hij ’s nachts uit zijn slaap werd gehouden door hordes stampvoetende spinnen op de gang. Toen ik zondagochtend mijn kamer verliet om naar mijn vriend Bram te gaan, liep ik op de trap Loes tegen het lijf. Ze pakte me bij m’n arm en riep in m’n gezicht: ‘... de spin Sebastiaan... het is niet goed met hem gegaan!  Er werd dit berichtje doorgegeven: binnen werd een moord gepleegd, Sebastiaan is opgeveegd.’ Ik rukte me los. Wat mankeerde die meid, waar had ze het over?
Bram had, zoals afgesproken, twee mountainbikes en zijn metaaldetector in zijn bestelbusje. We gingen op weg. Ik zat naast hem met de wegenkaart uitgevouwen op schoot en vertelde over over mijn spinnenangst en hoe ik daarmee gepest werd. Pas op de Veluwe begon ik na te denken over ons reisdoel het Ronde Huis. Ik was goed ingelezen en op alles, ook op het ergste voorbereid. Zouden er kinderlijkjes te vinden zijn in de bossen bij Nunspeet? Op de plaats delict? Beenderen, skeletten... van meisjes tussen de negen en veertien jaar die honderd jaar geleden daar naar toe waren gebracht door de Zwarte Duivel – Frank van Vloten – en die daarna nooit meer waren teruggezien? Waren daar nog overblijfselen van te vinden? Waren alle botten van de vermoorde, begraven kinderen vergaan, alle sporen uitgewist, of bleven er nog kleine dingetjes over, kinderspulletjes die met een metaaldetector konden worden opgespoord? 
Bram had thuis een vitrinekast met daarin alles wat hij tot dusver op diverse lokaties had gevonden. Enkele bronzen munten lagen tussen de halfverweerde spullen maar vooral veel hulzen. Rondom het Ronde Huis zouden ook wel stille getuigen te vinden zijn van de jacht op wilde zwijnen bedreven door Schweinen Heinchen, vader van de toen nog jonge prinses Juliana. Ook van de Zwarte Duivel Van Vloten was bekend dat hij daar altijd met een geweer rondliep en op van alles en nogwat schoot.
We lieten het busje achter op een verlaten plek en fietsten verder over zandweggetjes naar de plaats waar het Ronde Huis moest hebben gestaan. Ik herkende alles, de kaarten en foto’s had ik goed bestudeerd en in me opgenomen. Een hoge haag van rhododendrons langs het pad leidde naar de plaats waar zich alles had afgespeeld: een komen en gaan was het hier geweest van hooggeplaatsten, van schatrijke machtige lieden - de machtigste heren van heel Europa die op deze plek de smerigste dingen hadden uitgehaald. De elite van weleer: havenbaronnen, grootgrondbezitters, hoge legerofficieren, grootindustriëlen, adellijke losbollen – allen seksmaniakken, allen deelnemers aan orgiën. Gruwelijke taferelen hadden zich voorgedaan in en rondom het Ronde Huis, bij de vijver, in de bossen. Gevangengehouden meisjes van wie de voetjes opzettelijk verminkt waren zodat ze niet weg konden lopen. Vermoord en in de bossen begraven. Eén groot Gothick horrorgebeuren moet het geweest zijn. Een onaangenaam gevoel bekroop me - hier, in deze desolate omgeving, had die oer-slechterik Frank van Vloten rondgelopen met zijn jachtgeweer onder zijn arm. Zijn geest waardde hier nog rond.
Bram was voortvarend te werk gegaan, hij had de metaaldetector uit zijn rugzak gehaald en de koptelefoon opgezet. Hij zocht op een hogergelegen plek, een afgeplatte heuvel zo’n tien meter verderop. Daar moest de villa hebben gestaan.
Ik liep langs een laag bakstenen muurtje. Ik nam heimelijk de zilveren halve gulden uit 1907 die ik speciaal voor deze dag had meegenomen uit m’n broekzak, spuugde er op, wreef er wat droge aarde over en groef een kuiltje met m’n hak. Ik legde de munt neer, schoof met de zijkant van m’n schoen er wat aarde overheen, en liep rustig verder.
Na een tijdje gaf Bram het op, hij zette het apparaat uit en trok de koptelefoon van zijn hoofd.
‘Ik zoek naar het spoorlijntje en het ondergrondse gangenstelsel,’ riep ik ‘probeer daar nog eens langs dat muurtje, ik blijf liever uit de buurt vanwege de spinnen die zich waarschijnlijk op houden in donkere hoekjes en spleten tussen die oude bakstenen.’
‘Hele families,’ riep Bram grijnzend terwijl hij naderbij kwam. ‘Papa’s en mama’s, broertjes- en zusjesspinnen...’
Hij zette zijn koptelefoon weer op en struinde langs het muurtje, zwaaiend met het schoteltje van het apparaat naar links en naar rechts. Ik keek van een afstand toe. En ja hoor: Bingo! Ik kon de piepjes horen. Bram bukte zich, wroette met zijn schepje en kwam overeind met iets in zijn vingers, iets belangrijks, mogelijk iets waardevols. Hij kwam naar me toe.
‘Wat is het, wat heb je gevangen?’ vroeg ik enthousiast.
‘Een ouwe munt...’ Hij wreef hem schoon met zijn duim. ‘Uit 1907 zo te zien.’
‘Laat eens kijken.’ Hij overhandigde de munt. ‘Verrek já. Die heeft een van die rijke stinkerds van toen hier laten vallen – vond het niet eens de moeite om het op te rapen. Misschien Zwijnen Heintje wel.’ Ik bekeek het kleinood aandachtig. ‘Inderdaad uit 1907, ik zie het duidelijk,’ zei ik. ‘Van zilver als ik me niet vergis.’
Ik gaf hem zijn munt terug en hij liep ermee naar de vindplaats. ‘Waar er ééntje ligt kunnen er meer verborgen zitten, broertjes en zusjes, papa’s en mama’s ...’ Hij zette zijn koptelefoon op en zwaaide langzaam en zorgvuldig met zijn speurapparaat heen en weer. Een lange tijd was hij bezig met het zoeken naar eventuele familieleden des munts, maar helaas, no such luck, de zilveren half-gulden bleek slechts een zielig weesmuntje te zijn, moederziel alleen op de wereld, sans famille.
Bram staakte zijn bezigheden, zette de metaaldetector tegen het muurtje. ‘Anderen zijn ons hier voorgeweest, dat moet wel,’ zei hij. ‘Maar deze hebben ze gelukkig over het hoofd gezien.’ Hij klopte glunderend op zijn borstzakje. Ik was blij voor hem - had hij tenminste iets om tussen zijn bronzen munten in de vitrinekast te leggen, een pronkstuk van edelmetaal.

woensdag 11 april 2012

Kees de Heer: Vriendjes zijn


Dit is een verhaal uit het Boekenweekproject van dewebschrijvers.nl Het thema was
"Vriendschap en andere ongemakken"

Vriendjes zijn
door Kees de Heer

Als kind was ik een grijze muis. Meegaand. Gezagsgetrouw. Mijn ouders waren licht paranoïde en dat betekende dat ze altijd bang waren dat mij iets zou overkomen. Ouders die eigenlijk geen kinderen wilden, zijn vaak overbezorgd. Ik moet wel heel ongewenst zijn geweest, want ik mocht niets. Ik werd zo veel mogelijk afgeschermd van de boze buitenwereld. Uiteindelijk zorgde de wet op het onderwijs voor mijn redding.
Kleuterscholen had je in mijn tijd nog niet. Dus ik moest wachten tot ik zes jaar werd. Mijn eerste jaar op de lagere school betekende letterlijk dat ik in een andere wereld stapte, met kinderen van mijn leeftijd. Jongens waar je mee ging spelen, met autootjes. Meisjes bleven bijna van zelfsprekend op grote afstand. Die afstand werd vooral door de meisjes in stand gehouden. Ze waren in hun doen en laten al wat ouder en vonden ons meestal kinderachtig.
Omdat één van de jongens in mijn klas dicht bij mijn huis woonde, werden wij automatisch “vriendjes”. Soms speelden we bij hem, soms bij mij. Op een middag waarop wij aan het spelen waren, werd hij opeens heel boos. Ik weet niet meer waarom. Hij liep woedend weg, terwijl hij riep: “Ik wil nooit meer met je spelen.”  
Ik heb echt geen idee om welke vreselijke reden. Misschien was hij gewoon op mij uitgekeken.
Uit het niets verscheen er een ander jongetje. “Omdat Frans niet meer jouw vriendje wil zijn, kunnen wij wel vriendjes worden. Er was tot nu toe niemand die met mij vriendjes wilde zijn.” Ik vond het wel goed. Van nu af aan heette mijn vriendje geen Frans, maar Wim. Hij waarschuwde me wel, dat ik niet vaak bij hem thuis zou mogen komen spelen. Hij had nog al wat broertjes en zusjes en dan werd het al gauw te druk. Hij voegde er aan toe dat veel mensen zijn moeder niet aardig vonden.
Oké, wij waren vriendjes. Een vreemde term. Hoe vaker je hem herhaalt, des te onwerkelijker het klinkt. Vriendjes zijn. Op een woensdagmorgen vond er iets bijzonders plaats. Wim zei op de speelplaats tegen mij: ”Mijn moeder zegt, dat ik al zo vaak bij jou heb gespeeld, dat je nu ook maar eens bij ons moet komen.” Woensdagmiddag vrij, dus dat kon. Hij haalde mij op, want ik wist niet eens precies waar hij woonde.
Zijn moeder stond ons in de deuropening op te wachten. Ze was groot. Ik denk dat ze drie keer zo lang was als mijn moeder en zeker twee keer zo breed. Niet dik. Nee, breed. Een kolossaal mens. Ze zei, ”Zo, ben jij het vriendje van Wim. Ik vind het goed als je hier komt spelen, maar geen rommel maken en denk er om, ik ben niet aardig.”
Het huis waarin Wim met zijn vader en moeder en nog vijf broertjes en zusjes woonde, was klein. Kleiner dan het huis waarin ik woonde. De kinderen sliepen boven, verspreidt over drie kamertjes. Wim alleen vooraan, drie zusjes in het middelste kamertje en de twee broertjes in het achterste kamertje. De vader en de moeder van Wim sliepen beneden.
Dus naar boven, naar Wim zijn kamertje. Aangestaard door vijf paar ogen trokken wij ons terug achter de deur van Wim zijn onderkomen.
Wim bleek een verrassende voorraad Dinky Toys te hebben. Ik vond ze direct prachtig en samen konden we er probleemloos de hele middag mee spelen. Om vier uur werd er geroepen voor een beker thee met een wafeltje. Dat haalden we op in de keuken. Aan de keukentafel zat zijn moeder. Ze keek niet aardig, nou ja dat was ze ook niet. “Altijd dat eten”, zei ze. Het klonk bijna vriendelijk. Die tegenstrijdigheid verraste mij.
“Altijd dat eten, wat moet ik ze in vredesnaam vandaag weer voorzetten. Wat eten jullie zo al”, zei ze, onverwacht de aandacht op mij richtend.
Onder stress kon ik als kind altijd goed presteren en kalm bijna gedecideerd zei ik: ”Wij eten alle dagen hetzelfde.” De kolossale vrouw keek mij verbluft aan. “Bruine bonen zeker? “ zei ze met enig venijn.
Maandag; boerenkool stamppot. Dinsdag; macaroni met stukjes ham uit blik. Woensdag; pannenkoeken. Donderdag is variabel; soms hutspot, soms aardappelen met een gehaktbal en andijvie. Vrijdag; aardappelen met stokvis, mosterdsaus en witte bonen. Zaterdag; patat met frikadel en appelmoes. Zondag; peertjes, sperziebonen, aardappelen en draadjesvlees.
Wim zijn moeder had tijdens mijn opsomming druk meegeschreven, maakte af en toe wat schimpende opmerkingen. Mompelde bijvoorbeeld; “Appelmoes, of het geld me op de rug groeit.”
Toen ik uitgesproken was keek ze me kwaad aan. Nee, dacht ik, het is geen aardig mens. Ze krabde zich onder één van haar kolossale oksels. Haar bovenlijf schommelde woest heen en weer. Toen keek ze me recht aan en leek ze iemand anders te zijn, vooral kwetsbaarder. Ik werd onrustig van haar blik. Ik vond haar zomaar aardig. ”Dank je”, zei ze. “Hier kan ik iets mee. Het is al half vijf. Neem nog maar een koekje en dan moest je maar weer naar huis gaan.”
Wim bleek ook nog ergens te zijn. Die hoorde ik protesterend zeggen, “Maar dan moet ik alles alleen opruimen.”  Zijn moeder reageerde niet. Keek mij nog steeds op die vreemde manier aan en herhaalde, ”Dan moest je nu maar naar huis gaan.”  Ik stond op, kuste haar op haar wang en ging weg.
De andere dag kwam Wim voor we het lokaal in gingen, gehaast op mij af. Hij zei, ”Ik wil geen vriendjes meer met je zijn.”  Toelichting gaf hij niet. Hij keek mij niet meer aan en dat heeft hij nadien ook nooit meer gedaan. Ik vroeg mij af of het door de kus kwam, maar een dag of wat later herinnerde ik mij, dat hij verteld had, dat hij geen aardappelen lustte en als zijn moeder mijn schema ging toepassen, dan kon hij zijn lol op.

dinsdag 10 april 2012

Peter van Dijken: Vrienden maken.


Dit verhaal werd geschreven in het kader van het Boekenweekproject van
dewebschrijvers.nl met het thema "Vriendschap en andere ongemakken".


Vrienden maken
door Peter van Dijken
In den beginne schiep God hemel en aarde.
Het was een enorm project, maar hij had er zin in.  Twee keer vijf dagen zou hij ervoor uittrekken met een rustdag halverwege. Dat had hij in zijn wijsheid besloten. Na vijf dagen moest hij rust hebben en kon hij mooi nadenken over het vervolg.
Opgetogen ging de Almachtige aan de slag. Vogels, vissen, zoogdieren, insekten, prachtig werd het. Alles lukte. Het ene na het andere schitterende exemplaar rolde uit de werkplaats, waar God aan zijn werktafel, omringd door allerhande materialen, spier, bot, intelligentie, kracht, veren, instinct, prachtige levende wezens maakte.
Toen de schepper aan het eind van de vijfde dag vermoeid maar voldaan de werkplaats uitkwam, was hij zoals voorzien echt aan de geplande rustdag toe.
Die nacht kreeg hij een briljant idee. Het meesterwerk van zijn schepping zou een mens worden, een schepsel dat gemaakt zou worden met hem zelf als model. Deze mens zou zijn vriend zijn, een gesprekspartner, een klankbord voor zijn ideeën. Rechtop zou hij lopen, als bewijs van zijn superioriteit. De dieren zouden hem hun problemen kunnen voorleggen en hij zou de vrede bewaren. Als hij er echt niet uitkwam kon hij het altijd nog aan God zelf vragen. Hij zou tenslotte regelmatig in de buurt zijn, wandelend door zijn schepping, genietend. Alleen bij hoge uitzondering zou hij zich met het dagelijkse management van zijn schepping bezighouden, dankzij zijn adjudant, de kroon op de schepping: de mens. 
Volledig tegen de planning in kwam er van de vrije dag helemaal niks terecht. Voor het licht werd was God al in de werkplaats. In eerste instantie alleen om wat materiaal te halen voor wat losse schetsen, maar een half uur later was hij al opgewonden aan het werk.
Arme God. Had Hij zijn geplande rustdag maar genomen.
Al voor de lunch was duidelijk dat dit niet de beste dag ging worden. Waar hij tot die tijd nog nooit opnieuw had hoeven te beginnen moest het vandaag keer op keer over. Hij werd kriegel dat het niet wou lukken en kriegeligheid is nooit een opstap naar succes geweest. De Allerhoogste was niet zo gewend aan tegenslagen. Dingen gingen altijd precies zoals hij wilde. Dat het nu ineens niet wou lukken kon hij slecht verkroppen.
Was de ochtend al geen hit, de middag verliep rampzalig. Uiteindelijk stond er tegen etenstijd een kaal schepsel in de werkplaats, min of meer rechtop. God keek er misprijzend naar. Wat een slungel! Dit werd dus niet de koning, oh nee, dit kon hooguit een soort van ploegbaas zijn. Hij had wel ingeschat dat het moeilijk zou zijn een creatie te maken naar zijn eigen beeld, maar dit was uiterst abominabel. Het léék er niet op.
Geen vriend dus voor het Opperwezen, althans niet op de manier die hij bedacht had. Dan toch maar even een wijfje erbij geflanst, zoals hij bij alle andere schepselen had gedaan. Alleen was ook maar alleen en hij wist nu al dat hij deze 'vriend' niet half zo vaak zou opzoeken als hij van plan was geweest.
Mismoedig rukte hij een rib van tafel die hij had gebruikt in een van de eerdere (mislukte) versies en ging aan de slag. Na een kwartiertje was hij klaar.
Wrevelig bekeek hij het resultaat. Het vrouwtje was verdorie bijna nog beter geslaagd dan het mannetje. Hij voelde zijn stemming verder inzakken en zuchtte diep. Toen trok hij aan het touwtje van de lamp boven de werktafel, opende de deur van de werkplaats en sloeg die met een enorme klap achter zich dicht. Een van de flessen op de plank wankelde en viel met een smak aan splinters op de grond. Een gasvormige substantie vulde langzaam de werkplaats en doordrong de mens en zijn vrouw in al hun vezels. Op de grond lag tussen de splinters het etiket met het kapotte glas er nog aan vastgeplakt. 'Introspectie' stond erop.
God sliep die nacht opnieuw slecht. Hij woelde de halve nacht rond en viel af en toe in een korte onrustige slaap waarin de mens en zijn vrouw hem achtervolgden tot hij weer wakker schrok.
De volgende ochtend was hij doodop en ernstig gefrustreerd. In zijn moedeloosheid had hij besloten dat hij klaar was met het hele project. Die twee kale sukkels mochten er nog bij, als het levende bewijs dat zelfs God grenzen heeft, maar verder was het afgelopen. Zes dagen had hij erin gestoken, het was wel mooi zo.
Toen hij de mensen de volgende dag  uit de werkplaats haalde vielen de glassplinters op de vloer hem niet eens op. Daarna kwam hij er nooit terug.
 Zo rondde God dan uiteindelijk zijn schepping af in 6 dagen, zonder rustdag. Nou ja, dat was dan de zevende en eigenlijk alle dagen daarna. 
 Aanvankelijk ging hij regelmatig naar de aarde en was dan best tevreden over het eindresultaat.  Zolang hij Adam en Eva niet tegen het lijf liep kon hij er zelfs van genieten. Maar die Adam en Eva: Wat een zeurpieten waren dat! Altijd met zichzelf bezig, altijd ongelukkig, altijd klagen en altijd maar waarom. Waarom dit, waarom dat. Gek werd hij ervan. En hij snapte het ook niet. Zo had hij ze toch niet gemaakt? Wat was daar nou weer misgegaan? Het was werkelijk een totale mislukking, die mens.
Naarmate zijn irritatie over de mensen toenam begon hij de aarde meer te vermijden. Er kwamen ook steeds meer mensen bij en voor de Almachtige viel er navenant minder te genieten. Hij liet zich nauwelijks meer zien en was na enige tijd zo mensenschuw geworden dat niemand meer wist wie hij was of hoe hij eruit zag. De meesten geloofden zelfs niet meer dat hij werkelijk bestond. Anderen hadden zich georganiseerd in exclusieve clubs, die onderling over hem ruzieden en allemaal zijn beste vriend pretendeerden te zijn. Het ging er daarbij soms nogal fel aan toe en een enkele keer liep het zelfs volledig uit de hand.
God vond het allang best. "Laat ze maar mijn vrienden zijn", dacht hij. "Als ik er maar geen last van heb."

maandag 9 april 2012

Sylvia groener: Vriendschap en andere ongemakken.


Vriendschap en andere ongemakken
door Sylvia Groener
‘Goedemorgen, heer Mulder, hoe gaat het vandaag?’, vroeg Lucie opgewekt.
De heer Mulder, ook wel Jeroen, maar dat zeg je niet tegen cliënten, deed verwoede pogingen om zijn rietje te pakken te krijgen. Ze reikte haar hand om te helpen, maar zijn wenkbrauwen fronsten van nee. Dat wat hij kon, wilde hij zelf doen.

Zijn lippen tuitten zich tot het uiterste. Met zijn tong probeerde hij het nu. Ze kon het haast niet aanzien. Ja, bijna had hij hem. Het strootje verschoof iets naar rechts, wat het geheel nog meer bemoeilijkte. Nog een poging. Ze zag zijn nekspieren aanspannen. Hij leek net een schildpad die zijn kop zover mogelijk uit zijn schild stak. Mis. Nu moest hij even op adem komen.

Ze had met hem te doen. Zo’n jonge vent. Dat apparaat gaf hem nog iets van vrijheid. Jeroen kon zichzelf ermee verplaatsen en zelfs praten. Kunstmatig, dat wel. Met de strohalm selecteerde hij de letters en de spraakcomputer formuleerde de woorden. Ze was erbij geweest toen Jeroen zijn ‘eerste woordje’ sprak. Hij huilde als een klein kind. Ze dacht eerst van blijdschap, maar zijn ogen stonden ook vol van verdriet.

Aan zijn wand hingen vele foto’s met lachende gezichten. Vakantiekiekjes met vrienden. En een portret van hem aan tafel met twee oudere mensen en een jonge vrouw. Die herkende ze als zijn ouders en zus. Zij kwamen in het weekend weleens langs. De lachende gezichten waren alleen in het begin geweest. Nu kwamen ze nooit meer. Behalve Kees. Lucie keek naar de afbeelding van Jeroen en Kees op een zeilboot. De zon scheen, de mannen zagen er gelukkig uit. Echte vrienden. Dat bleek wel, want Kees kwam doordeweeks elke dag trouw langs. ’s Ochtends las hij Jeroen de krant voor en voerde hem lauwe koffie. En ’s avonds kwam hij weer terug om samen te eten. ‘Alleen eten is niks’, had hij haar een keer gezegd. Ze hadden een tijdje staan praten. Kees vertelde dat hij gescheiden was en één keer in de maand zijn kinderen een weekend had.

Jeroen kuchte. Ze pakte een glaasje water en gaf hem een slokje. ‘Waar blijft Kees?’, vroeg ze hem.
Jeroen reikte naar het rietje. Lucie wachtte de strijd niet af en hielp zijn mond ernaartoe met een boze blik als dank.
‘VRIENDIN’ zei de blikken stem van de spraakcomputer.
‘Oh, heeft Kees een nieuwe vriendin?’, zei Lucie.
Hopelijk komt hij nog wel langs, dacht ze er achteraan. Die dag kwam hij niet meer. Dat was jammer, want Jeroen had erg last van zijn nek. Kees was fysiotherapeut. Hij plande zijn afspraken altijd na tienen en tot zes uur, zodat hij Jeroen kon bezoeken.
De volgende ochtend kwam Lucie koffie brengen en trof Kees aan, die de krant al zat voor te lezen. ‘Ik hoorde dat jij ook nieuws hebt', zei ze vrolijk.
Kees keek haar vragend aan.
‘Een nieuwe vriendin, gefeliciteerd!'
Kees wierp een blik naar Jeroen en keek weer naar Lucie. ‘Ja, dat klopt. Het is nog pril hoor.’
Hij bloosde iets. Lucie vond het wel schattig.
‘Nu het onderwerp toch is aangesneden’, zei Kees en hij keek naar Jeroen, ‘vanavond ga ik met haar uit eten, dus..’
Jeroen knikte. Lucie voelde zijn teleurstelling en angst. Kees was nog zijn enige lichtpunt op de dag. Al leek hij niet altijd blij om hem te zien. Dat snapte ze niet. Misschien projecteerde ze haar eigen gevoelens wel op hem. Jeroen was haar lievelingspatiënt. Hij viel op, vanwege zijn leeftijd, maar ook vanwege zijn uiterlijk. Een mooie man.

Ze had weleens in zijn dossier gezocht naar de oorzaak van zijn situatie. Daar stond alleen dat hij door een ongeluk een hoge dwarslaesie had opgelopen. Hij was vanaf de nek verlamd. De aard van het ongeluk werd niet vermeld. Ze had het hem niet durven vragen. Hij worstelde nog zo met alle emoties.

Een paar dagen later trof ze Kees op de gang. ‘Fijn dat je er weer bent.’
Kees glom.
‘Je ziet er goed uit!’, plaagde ze hem, ‘Je kunt wel zien dat jij verliefd bent.’
Toen bedacht Lucie dat ze Kees zelden zonder Jeroen erbij sprak en greep haar kans. ‘Hoe is Jeroen eigenlijk in die rolstoel beland? Wat is er gebeurd?’ vroeg ze hem.
De ogen van Kees leken een fractie te vergroten en hij keek snel naar beneden.
‘We waren zeilen’, zei hij bedompt. De glans die hij net leek te hebben, was nu totaal verdwenen.
‘Hij kreeg de giek in zijn nek.’ Kees draaide zich om en liep weg. Lucie verbaasd achter zich latend.

Ondanks zijn nieuwe vriendin, bleef Kees langskomen. Dat had ze niet verwacht en ze vond het fijn voor Jeroen. Zijn reactie op haar vraag, zat haar echter nog wel dwars. Niet zozeer het antwoord dat Jeroen geraakt was door de giek, maar hij keek wat vreemd. Ze besloot Jeroen er naar te vragen.

‘Goedemorgen, heer Mulder, hoe gaat het vandaag?’, vroeg Lucie monter.
Jeroen knipperde met zijn ogen. Toen hij gewassen in zijn stoel geïnstalleerd zat, waagde ze het erop.
‘Kees vertelde dat jij de giek in je nek hebt gekregen.'
Hij keek haar recht aan.
Ze hield haar adem even in. En toen gooide ze het eruit:
'Was het wel een ongeluk?’