zondag 15 april 2012

Agmar van Rijn: In het krijt


Dit is een verhaal uit het Boekenweekproject van de webschrijvers.nl met het thema "Vriendschap en andere ongemakken." 

In het krijt
door Agmar van Rijn

‘Ja, met mij.’
‘Hee… hoi Eline.’
‘Ik wilde even met je kletsen. Het was zó vervelend vandaag, ik moest een hele stapel facturen inboeken en ik heb keihard mijn best gedaan, maar toch kwam Anoesjka me om vijf uur op de vingers tikken!’
Marijke legt haar boek naast zich op de bank. Haar vingers spelen met de bladzijden.
‘Of ik morgen misschien mijn Iphone met rust kon laten, en me op mijn werk kon concentreren, belachelijk toch?’
Marijke onderdrukt een zucht.
‘El, Anoesjka is heus niet zo’n bitch hoor. Het is toch ook belangrijk om je werk af te krijgen?’
‘Jee, Marijke, wanneer ben jij ineens dominee geworden? Nu we geen collega’s meer zijn neem je het ineens voor haar op!’
Marijke denkt aan de assertiviteitscursus, het voornemen duidelijker te zijn tegen haar beste vriendin. In de cursusgroep gingen oefeningen prima. Haar voorzichtig uitgesproken meningen werden met respect ontvangen en al snel begon ze zich wat zelfverzekerder te voelen. Marijke haalt adem. Hou het bij jezelf, wees rustig en duidelijk.
‘Eline, ik vind het niet zo leuk als je me een dominee noemt. Het was niet mijn bedoeling je de les te lezen. Ik bedoel gewoon dat je het misschien niet zo zwaar op moet nemen, wat Anoesjka zegt.’
‘Nou breekt mijn klomp! Je bent toch mijn vriendin, of is het je soms naar het hoofd gestegen nu je bij dat advocatenkantoor zit?’
Is het koud hier in de kamer, heeft ze te lang stilgezeten met haar boek op de bank?
‘Nee Eline, maar…’
‘Nou, laatst heb je me ook al zo laten zitten, toen ik me zo klote voelde omdat Klaas nooit terugbelde!’
Elines stem schiet de lucht in.
Marijke denkt aan Klaas, aan die schitterende vierkante kop. Wat had ze graag een praatje met die jongen aangeknoopt toen ze hem in de kroeg zag staan, aan de toog. Maar Eline legde een hand op haar arm en kondigde aan dat zij hem wel zag zitten.
Toen Klaas na één date nooit meer belde, was Eline op een vrijdagavond langsgekomen, met rode ogen, in haar joggingpak en met een weekendtas over de schouder. Ze wilde graag blijven logeren, samen op de bank hangen, chocola en chips eten en naar Net5 kijken. Omdat zij zo verdrietig was. Marijke had stokstijf voor de deur gestaan. Diezelfde middag had ze haar eerste cursusbijeenkomst gehad, en ineens zei ze dat het niet zo goed uitkwam, vanwege andere plannen. De hele avond had ze Elines helderblauwe ogen voor zich gezien, die zich opensperden toen ze langzaam de deur dicht had gedaan.
‘Eline. Je had toen ook eventjes kunnen bellen, het kwam toen niet zo goed uit. En je kunt me toch niet voor de voeten gooien dat ik niets voor je over heb. Ik probeer altijd mijn best te doen, ik geef heus heel veel om je.’
Ze hoort het zichzelf zeggen. Altijd was ze voor Eline in de bres gesprongen, al leek het niet altijd eerlijk wat het frêle meisje met de witblonde pijpenkrullen uitspookte. Als kind al, toen Eline gelogen had tegen Marijkes moeder, dat zij echt niet haar dure lippenstift had gebruikt bij hun verkleedspel. En later, toen Eline fors uit de kas van hun werkgever had gestolen. Marijke had het ontbrekende bedrag bijgepast, om te voorkomen dat Anoesjka het zou ontdekken. Toen Eline later snikkend opbiechtte dat ze  diep in de schulden was geraakt, had Marijke haar ook nog een flink bedrag geleend.
‘Aah, ik snap het! Het gaat je om het geld, hè? Je wilt zeker je geld terug! Je weet heus wel dat ik het nu niet terug kan betalen! Ik begrijp niet dat je me niet gewoon kunt vertrouwen!’
‘Het gaat me niet om het geld, Eline.’
‘Nee? Oh nee? Waarom zeg je dat dan zo, dat je zóveel voor mij gedaan hebt?’
Met een klap valt Marijkes boek van de bank. Ze haalt diep adem.
‘Luister Eline. We doen het zo. Jij belt me nooit meer op, en je komt nooit meer langs. Ik heb er genoeg van, ik wil geen vriendinnen meer zijn. Die drieduizend euro hoef ik niet meer terug, oké? Succes ermee.’ En ze drukt Eline weg.

De cursusleider prijst haar. Ze heeft eindelijk een grens gesteld. Merkwaardig rustig voelt ze zich eronder. Ze mist Eline niet, en Eline heeft op haar beurt niets meer van zich laten horen. Zou het dan eindelijk lukken om een eigen leven te leiden?
Op een namiddag gaat de bel. Er staat een kleine, vaag bekende vrouw voor de deur, haar ronde gezicht is dichtgekit met foundation en ze heeft bleekroze lippenstift op. Van achter haar rug komt een grote zwarte microfoon, die ze voor haar mond positioneert.
‘Halló! Jij moet Marijke zijn! Wat fijn dat we je thuis treffen! Je zult je wel afvragen waarom we op de stoep staan, nietwaar? Nou…’
De vrouw kijkt opzij, waar een cameraman is opgedoken. Op dezelfde overdreven enthousiaste toon gaat ze door:
‘Het gaat om iemand die jij al heel erg lang kent. Ze is er door dik en dun voor jou geweest, een echte vriendin! Ze is zelfs zo ver gegaan jou op den duur, toen het niet goed met je ging, drieduizend euro te lenen!’
Nu schiet het gezicht van de vrouw weer naar haar, scannend naar haar reactie.
‘Maar vervolgens betaalde jij dat geld niet terug! Toen kon je vriendin het niet meer volhouden je te steunen in jouw slechte periode, en heeft zij de vriendschap verbroken! Maar daar heeft ze spijt van….’ De vrouw stapt verder naar voren, staat nu half in Marijkes deuropening.
‘Ze heeft het gevoel dat ze bij je in het krijt staat, omdat ze er niet voor jou is geweest toen je het moeilijk had! Daarom wil ze het graag met je goedmaken, en tegen je zeggen dat het haar spijt! Hier komt zeeeee!’
 

zaterdag 14 april 2012

Tsafrira Levy: Persona non grata


Dit is een verhaal uit het Boekenweekproject van dewebschrijvers.nl met het thema "Vriendschap en andere ongemakken."


Persona non grata
door Tsafrira Levy 

Op de site chez-persona stond het nodige over haar werkwijze en een prijslijst. Belangstellenden bereikten haar via een versleutelde route, na het invullen van hun codenaam, leeftijd, telefoonnummer, beschikbare avond en specifieke wensen. Daarna moesten ze aanvinken dat ze akkoord gingen met de voorwaarden. Condoomgebruik was verplicht, alsook het laten kopiëren van een geldig identiteitsbewijs. Orale seks was uitgesloten. Tijdens het werk droeg ze een masker. Het gevarieerde maskeraanbod, haar handelsmerk, werkte als een magneet voor mannen die eens wat anders wilden. Ze koos de gezichtsbedekking die bij de klant paste op het moment dat hij beneden voor het oog van de cameralens verscheen en zijn codenaam noemde. De klanten konden rekenen op haar geheimhouding en kwamen graag terug.
Niemand wist dat ze dat werk in de avonduren deed, naast een fulltimebaan als softwarespecialiste. Ze ontving de klanten in een huurflat, ver van haar woonplaats. Dankzij deze bijverdiensten werd een jeugddroom om een kleine boerderij te kopen, ver van de bewoonde wereld, binnenkort werkelijkheid.
De bel kondigde de komst van een nieuwe klant aan, een man van middelbare leeftijd. Toen hij zijn codenaam noemde, schrok ze. ‘De leeuw. Laat me erin, liefje’. Die stem zou ze uit duizenden herkennen. Het gezicht op het piepkleine scherm naast de deur was van de vader van Marleen, de man die ze meer dan wie ook op de wereld haatte. Om hem had ze het contact met haar beste vriendin op haar negende jaar verbroken. Hij drukte nu langer op de bel. ‘Laat me erin, schattebout. Mijn lul bevriest in deze kou’.
Ze pakte het vossenmasker met de lange snuit uit de kast en wachtte gespannen op het afgesproken klopsignaal. Toen hij zijn jas in de hal uitdeed, had ze zichzelf weer onder controle. ‘Volg me’. In de kamer kopieerde ze zijn identiteitbewijs en zag dat hij over zijn leeftijd had gelogen.
Hij keek intussen wat rond. ‘Je hebt het mooi voor elkaar, vosje’.
‘Dank u. Betalen vooraf, alstublieft’.
Hij gromde en greep naar haar borsten. ‘De leeuw wil geen kat in de zak kopen, vosje’.
Ze weerde zich af en noemde het afgesproken bedrag.
‘Je bent erg zakelijk, zeg. Wees lief voor de leeuw’.
‘U krijgt wat u hebt besteld’.
‘Pijp mij dan vooraf, in plaats van handwerk’, zei hij.
‘Uitgesloten’.
‘En als ik er extra voor betaal?’
‘Ook dan niet’.
‘De klant is koning’.
‘Hier niet en als het u niet bevalt, kunt u gelijk vertrekken’.
‘Ho ho, nee zeggen tegen de leeuw windt het beest op en maakt hem wild’.
‘De vos is slimmer. Alles wordt gefilmd en direct opgeslagen in mijn klantenbestand. Daar staat nu al een kopie van uw rijbewijs, dus past u maar op, meneer Braadsma.
Uw tijd gaat nu in ’. Ze wees naar de grote wandklok en acteerde geroutineerd de verleidelijke rol, die hem zichtbaar opwond.

‘Trek alles uit’, zei hij schor terwijl hij het geld in biljetten van tien en vijf euro’s vlug neertelde. Ze telde de biljetten rustig na en stopte alles in een grote spaarpot die vastgeschroefd zat aan een stevige plank.
Vervreemd van zichzelf voerde ze de overeengekomen handelingen uit en lette goed op, dat hij en zijn lid goed in beeld bleven. Binnen in zichzelf zorgde ze voor een kamerscherm tussen hen hier en het bange, negenjarige meisje dat op haar duim zoog in bed. Ze logeerde toen bij haar beste vriendin. Marleens moeder had die nacht dienst in het ziekenhuis en het was de vader, een gemeenteambtenaar, die hen welterusten kwam zeggen. Als een tapijthandelaar liep hij heen en weer tussen de deur en het logeermatras, waarop zij lag, de afstand te meten. Midden in de nacht kwam hij terug. Ze werd stikkend wakker op de bank in de woonkamer. Het was geen nachtmerrie. Een zwaar gewicht drukte op haar armen, een enorm ding drong steeds dieper in haar keel. Ze raakte in paniek, dacht dat ze dood ging, kokhalsde, spuugde, huilde zonder geluid. Toen hij klaar was, beval hij haar te zwijgen over wat net was gebeurd en dreigde haar broertje te vermoorden, als ze hier iets over losliet. Het was allemaal haar schuld, een meisje van negen jaar hoorde niet op haar duim te zuigen. Ze geloofde hem en was voor de rest van haar leven klaar met duimzuigen. Vanaf die nacht meed ze ook Marleen. Ze zag hoe haar vriendin eronder leed en ze miste haar zelf heel erg. Marleen werd steeds stiller in de klas en op het schoolplein, steeds meer in zichzelf gekeerd.
Dezelfde man kwam nu weer aan zijn gerief bij haar. ‘Je bevalt me wel, vosje. Boek me voor volgende week, zelfde tijd, graag met korting en een paar graden warmer voor de vaste klant’.
‘Ik heb pas over drie weken plaats en ik geef aan niemand korting’.

De volgende ochtend zegde ze de huurflat op, verwijderde de chez-persona-site van internet en zorgde voor een moeilijk traceerbare, maximale verspreiding van het korte filmpje, genaamd Persona non grata: van kinderverkrachter tot hoerenloper. Ook meneer Braadsma en zijn afdelingschef kregen dat filmpje via de e-mail toegestuurd. Ze had het beeldmateriaal handig gemanipuleerd. De kijker zag zijn gezicht in close-up, daarna zijn lid met de leeuwenkoptatoeage dreigend dicht bij het gezicht van een huilend meisje. Een oude foto van zichzelf werd voor dat doel bewerkt. Vervolgens nam hij een prostituee van achteren, terwijl de jonge vrouw, gemaskerd, in de cameralens keek. Zijn rode kop en de tatoeage waren daarbij ook weer goed in beeld. Het filmpje werd een hit en leidde tot een rechtszaak, die veel publiciteit kreeg. Meneer Braadsma werd door verschillende vrouwen herkend en aangeklaagd als de man die hen als kind heeft gemolesteerd. Ook zijn eigen dochter behoorde tot de slachtoffers, stond in de krant.
Ze spoorde Marleen op en stuurde haar een gescande foto van hen samen, twee lachende meisjes op de schommel achter haar ouderlijke huis. Het was lente, de tuin stond in bloei. Onder de foto zette ze het volgende bericht: ‘In mijn hart blijf je mijn beste vriendin’.

vrijdag 13 april 2012

Rob Engelsman: Melissa


Dit verhaal is geschreven in het kader van het Boekenweekproject van dewebschrijvers.nl met het thema "Vriendschap en andere ongemakken" 

Melissa
door Rob Engelsman

Het begon bij het doorgeefraam naar de keuken van het eethuis. Ik was haar naam kwijt. Dus ik vroeg het nog maar een keer.
"Melissa", zei ze en ze lachte zo lief.
Daarna moet zich soms iets hebben afgespeeld wat op flirten leek, maar hoe zat het ook alweer. Heel onschuldig in elk geval. Zoiets als telkens gedag zeggen en later weer afscheid nemen, maar iets nadrukkelijker dan normaal en dan die glimlach.
Schattig blond meisje, heel jong, ze deed stage hier voor haar opleiding. We praatten ook wel eens. Ze had ergens gesolliciteerd. Maar ze wilde daar tóch niet werken, vertelde ze. Het was hier veel prettiger.
“En vind je de mensen hier ook aardig?" vroeg ik.
"Ja".
Toen kwam de overmoed.
"En je vind mij zeker ook leuk"
Ik dacht dus niet: Wat moet zo'n mooi jong meisje met zo'n dikke oude man? Nee, Ik dacht niets. Het kwam er zomaar uit en ze zei:
"Ja."
Dat was flirten, daar kon ik niet omheen.
 
De maandag daarna bij het afrekenen boog ze zich over de toonbank naar me toe en ze glimlachte weer zo lief en vroeg:
"Wat komt u doen? Afrekenen, of zullen we een goed gesprek hebben?"
Verdomme, ze was nog geestig ook!

Dinsdag was ik er weer. Ik rustte niet voor ik haar gevonden had, ergens achterin de keuken. Ik zei haar nadrukkelijk goedenavond. Meer niet en toen ik naar huis ging, liep ik weer de keuken in zei: "tot ziens Melissa," en liep weg.
Ik was al bijna bij de buitendeur, toen ik een luide kreet hoorde.
Ik liep terug.
"Wat zei je?"          
"En u een hele prettige avond nog!" riep ze opgetogen, maar er was iets veel belangrijkers: ze kleurde hevig en glimlachte op zo’n verlegen manier dat ik dacht: die glimlach kén ik.
 Vanaf dat moment was het echt mis.
Wat ik dan altijd doe is drinken en kletsen. Iedereen moet het weten. Wat me overkomen is en dat ik er zo onrustig van wordt.  Ik wil nieuwe kleren kopen en in no-time vreselijk afvallen en mijn snor eraf want die maakt me zo oud en na verschillende borrels begin ik van allerlei te roepen en de volgende dag ben ik bedroefd.
Een vreemd bijverschijnsel was dat ik opeens veel méér oog kreeg voor vrouwen, ook diegenen, waar ik anders niet op lette. Er was iets bij me boven gekomen. Er waren van die gevoelens, zo maar, bij deze en gene. Het is de vraag of ik dat leuk vond. Het leven was immers veel rustiger, toen dat nog niet zo was.
 
Maandag dacht ik dat het beter was, als ik toch geen honger had, om maar niet naar het eethuis te gaan. Ik hád geen honger. Dat kwam door de zenuwen. Maar tegen zeven uur dacht ik: Ik kan toch zo'n beetje die richting uitfietsen? Halverwege kan ik nog omdraaien, maar ik kwam tot in de Ebbingestraat, de Grote Markt, de Vismarkt zelfs …
Ik liep de eetzaal binnen. Geen Melissa.
Ik had nog steeds geen trek, dronk het ene glas port na het andere en praatte wat met kennissen.
Toen heb ik het tenslotte toch maar gevraagd: "Is Melissa er niet?"
"Jawel," zei iemand, "ze komt zo."
Ze kwam en woof en lachte, maar ging eerst andere mensen helpen.
De zenuwen waren gelukkig grotendeels verdwenen, maar ik dronk wel stevig door en ging weer aan een ander tafeltje zitten praten.
 Melissa kwam voor in het zaaltje staan en keek een tijdje rond. Toen zag ze me en kwam naar me toe.
"Ik zag u niet meer!"
Ze kwam erbij staan en weer had ze die prachtige blos tot achter in haar nekhaartjes. Ik vroeg van welke muziek ze hield, want ik wilde haar ooit eens mee vragen naar een popconcert. Ik vertelde haar dat ik  U2 wel mooi vond, omdat dat zulke romantische muziek is. Daar moest ze om lachen. Ze begréép me en bleef maar voortdurend bij mijn tafeltje staan. Ze heeft jonge benen.
Toen viel er een gat. Ziekte ... busstakingen: het kwam erg ongelegen en het duurde zo lang. Wekenlang zag ik haar niet.
Maar ik wist dat er nog een diploma-uitreiking zou volgen van haar opleiding.
In de feestruimte mocht ik op een stoel gaan zitten, maar geen Melissa te zien. Heel lang wachten,  tussen de ouders van de leerlingen.
Tenslotte kwam opeens een hele groep de zaal binnenstormen en yes! daar was ze. Voor het eerst viel me op dat ze lang sluik haar had. Ze was veel mooier dan ik me herinnerde. Er vielen me plotseling meer lichamelijkheden op. Dat verontrustte me. Misschien had ik liever dat ze dat madonnaatje bleef.
Ze zag me niet.

Ze weet natuurlijk dat ik er ben en ze heeft me ook gezien, maar ze negeert me, dacht ik paniekerig. Was het niet beter om weg te gaan, voor het fout liep, zoals ik me voorgenomen had?
Het werd een kwartiertje op hete kolen. Haar blik dwaalde soms tot dicht in mijn buurt, maar ze zag me niet.  Ze had veel plezier met de jongens naast haar en klapte voor iedere kandidaat.
Tenslotte werd ze naar voren geroepen. Ze lachte uitbundig om de toespraak van de lerares. Daarna moest ze haar handtekening zetten.
Ze liep de zaal weer in en tóen zag ze me pas en werd alles weer goed.
 
Ze wuifde, ze lachte en ze kleurde weer.  Ze kwam naar me toe. Stralend!
Ik gaf haar die ene roos die ik meegenomen had omdat een hele bos iets te nadrukkelijk was, vond ik.
"Kom je nog een keer in het eethuis?" vroeg ik aarzelend.
Het was alsof ze me gerust wilde stellen. "Ja hoor, ik hoef niet meer te werken, maar ik kom nog wel een keertje."
"Hopelijk zie ik je dan," probeerde ik.
"Natuurlijk!, op welke dagen bent u er meestal?"
"Maandag "
"Dan kom ik maandag."

Ze was zo lief....
maar ze kwam niet.

donderdag 12 april 2012

Rudy Algera: Brams zoekmaatje


Dit is een verhaal uit het Boekenweekproject van dewebschrijvers.nl
met het thema "Vriendschap en andere ongemakken"
  
Brams zoekmaatje
door Rudy Algera

In het studentenhuis waren mijn agorafobie en het fenomeen spin een running gag. Iemand had zo’n groot langpotig griezelbeest van rubber in een feestneuswinkel gekocht en boven de deurkruk van mijn kamer vastgeplakt. Jaap, de lange nerdstudent natuurkunde, beweerde dat hij ’s nachts uit zijn slaap werd gehouden door hordes stampvoetende spinnen op de gang. Toen ik zondagochtend mijn kamer verliet om naar mijn vriend Bram te gaan, liep ik op de trap Loes tegen het lijf. Ze pakte me bij m’n arm en riep in m’n gezicht: ‘... de spin Sebastiaan... het is niet goed met hem gegaan!  Er werd dit berichtje doorgegeven: binnen werd een moord gepleegd, Sebastiaan is opgeveegd.’ Ik rukte me los. Wat mankeerde die meid, waar had ze het over?
Bram had, zoals afgesproken, twee mountainbikes en zijn metaaldetector in zijn bestelbusje. We gingen op weg. Ik zat naast hem met de wegenkaart uitgevouwen op schoot en vertelde over over mijn spinnenangst en hoe ik daarmee gepest werd. Pas op de Veluwe begon ik na te denken over ons reisdoel het Ronde Huis. Ik was goed ingelezen en op alles, ook op het ergste voorbereid. Zouden er kinderlijkjes te vinden zijn in de bossen bij Nunspeet? Op de plaats delict? Beenderen, skeletten... van meisjes tussen de negen en veertien jaar die honderd jaar geleden daar naar toe waren gebracht door de Zwarte Duivel – Frank van Vloten – en die daarna nooit meer waren teruggezien? Waren daar nog overblijfselen van te vinden? Waren alle botten van de vermoorde, begraven kinderen vergaan, alle sporen uitgewist, of bleven er nog kleine dingetjes over, kinderspulletjes die met een metaaldetector konden worden opgespoord? 
Bram had thuis een vitrinekast met daarin alles wat hij tot dusver op diverse lokaties had gevonden. Enkele bronzen munten lagen tussen de halfverweerde spullen maar vooral veel hulzen. Rondom het Ronde Huis zouden ook wel stille getuigen te vinden zijn van de jacht op wilde zwijnen bedreven door Schweinen Heinchen, vader van de toen nog jonge prinses Juliana. Ook van de Zwarte Duivel Van Vloten was bekend dat hij daar altijd met een geweer rondliep en op van alles en nogwat schoot.
We lieten het busje achter op een verlaten plek en fietsten verder over zandweggetjes naar de plaats waar het Ronde Huis moest hebben gestaan. Ik herkende alles, de kaarten en foto’s had ik goed bestudeerd en in me opgenomen. Een hoge haag van rhododendrons langs het pad leidde naar de plaats waar zich alles had afgespeeld: een komen en gaan was het hier geweest van hooggeplaatsten, van schatrijke machtige lieden - de machtigste heren van heel Europa die op deze plek de smerigste dingen hadden uitgehaald. De elite van weleer: havenbaronnen, grootgrondbezitters, hoge legerofficieren, grootindustriëlen, adellijke losbollen – allen seksmaniakken, allen deelnemers aan orgiën. Gruwelijke taferelen hadden zich voorgedaan in en rondom het Ronde Huis, bij de vijver, in de bossen. Gevangengehouden meisjes van wie de voetjes opzettelijk verminkt waren zodat ze niet weg konden lopen. Vermoord en in de bossen begraven. Eén groot Gothick horrorgebeuren moet het geweest zijn. Een onaangenaam gevoel bekroop me - hier, in deze desolate omgeving, had die oer-slechterik Frank van Vloten rondgelopen met zijn jachtgeweer onder zijn arm. Zijn geest waardde hier nog rond.
Bram was voortvarend te werk gegaan, hij had de metaaldetector uit zijn rugzak gehaald en de koptelefoon opgezet. Hij zocht op een hogergelegen plek, een afgeplatte heuvel zo’n tien meter verderop. Daar moest de villa hebben gestaan.
Ik liep langs een laag bakstenen muurtje. Ik nam heimelijk de zilveren halve gulden uit 1907 die ik speciaal voor deze dag had meegenomen uit m’n broekzak, spuugde er op, wreef er wat droge aarde over en groef een kuiltje met m’n hak. Ik legde de munt neer, schoof met de zijkant van m’n schoen er wat aarde overheen, en liep rustig verder.
Na een tijdje gaf Bram het op, hij zette het apparaat uit en trok de koptelefoon van zijn hoofd.
‘Ik zoek naar het spoorlijntje en het ondergrondse gangenstelsel,’ riep ik ‘probeer daar nog eens langs dat muurtje, ik blijf liever uit de buurt vanwege de spinnen die zich waarschijnlijk op houden in donkere hoekjes en spleten tussen die oude bakstenen.’
‘Hele families,’ riep Bram grijnzend terwijl hij naderbij kwam. ‘Papa’s en mama’s, broertjes- en zusjesspinnen...’
Hij zette zijn koptelefoon weer op en struinde langs het muurtje, zwaaiend met het schoteltje van het apparaat naar links en naar rechts. Ik keek van een afstand toe. En ja hoor: Bingo! Ik kon de piepjes horen. Bram bukte zich, wroette met zijn schepje en kwam overeind met iets in zijn vingers, iets belangrijks, mogelijk iets waardevols. Hij kwam naar me toe.
‘Wat is het, wat heb je gevangen?’ vroeg ik enthousiast.
‘Een ouwe munt...’ Hij wreef hem schoon met zijn duim. ‘Uit 1907 zo te zien.’
‘Laat eens kijken.’ Hij overhandigde de munt. ‘Verrek já. Die heeft een van die rijke stinkerds van toen hier laten vallen – vond het niet eens de moeite om het op te rapen. Misschien Zwijnen Heintje wel.’ Ik bekeek het kleinood aandachtig. ‘Inderdaad uit 1907, ik zie het duidelijk,’ zei ik. ‘Van zilver als ik me niet vergis.’
Ik gaf hem zijn munt terug en hij liep ermee naar de vindplaats. ‘Waar er ééntje ligt kunnen er meer verborgen zitten, broertjes en zusjes, papa’s en mama’s ...’ Hij zette zijn koptelefoon op en zwaaide langzaam en zorgvuldig met zijn speurapparaat heen en weer. Een lange tijd was hij bezig met het zoeken naar eventuele familieleden des munts, maar helaas, no such luck, de zilveren half-gulden bleek slechts een zielig weesmuntje te zijn, moederziel alleen op de wereld, sans famille.
Bram staakte zijn bezigheden, zette de metaaldetector tegen het muurtje. ‘Anderen zijn ons hier voorgeweest, dat moet wel,’ zei hij. ‘Maar deze hebben ze gelukkig over het hoofd gezien.’ Hij klopte glunderend op zijn borstzakje. Ik was blij voor hem - had hij tenminste iets om tussen zijn bronzen munten in de vitrinekast te leggen, een pronkstuk van edelmetaal.

woensdag 11 april 2012

Kees de Heer: Vriendjes zijn


Dit is een verhaal uit het Boekenweekproject van dewebschrijvers.nl Het thema was
"Vriendschap en andere ongemakken"

Vriendjes zijn
door Kees de Heer

Als kind was ik een grijze muis. Meegaand. Gezagsgetrouw. Mijn ouders waren licht paranoïde en dat betekende dat ze altijd bang waren dat mij iets zou overkomen. Ouders die eigenlijk geen kinderen wilden, zijn vaak overbezorgd. Ik moet wel heel ongewenst zijn geweest, want ik mocht niets. Ik werd zo veel mogelijk afgeschermd van de boze buitenwereld. Uiteindelijk zorgde de wet op het onderwijs voor mijn redding.
Kleuterscholen had je in mijn tijd nog niet. Dus ik moest wachten tot ik zes jaar werd. Mijn eerste jaar op de lagere school betekende letterlijk dat ik in een andere wereld stapte, met kinderen van mijn leeftijd. Jongens waar je mee ging spelen, met autootjes. Meisjes bleven bijna van zelfsprekend op grote afstand. Die afstand werd vooral door de meisjes in stand gehouden. Ze waren in hun doen en laten al wat ouder en vonden ons meestal kinderachtig.
Omdat één van de jongens in mijn klas dicht bij mijn huis woonde, werden wij automatisch “vriendjes”. Soms speelden we bij hem, soms bij mij. Op een middag waarop wij aan het spelen waren, werd hij opeens heel boos. Ik weet niet meer waarom. Hij liep woedend weg, terwijl hij riep: “Ik wil nooit meer met je spelen.”  
Ik heb echt geen idee om welke vreselijke reden. Misschien was hij gewoon op mij uitgekeken.
Uit het niets verscheen er een ander jongetje. “Omdat Frans niet meer jouw vriendje wil zijn, kunnen wij wel vriendjes worden. Er was tot nu toe niemand die met mij vriendjes wilde zijn.” Ik vond het wel goed. Van nu af aan heette mijn vriendje geen Frans, maar Wim. Hij waarschuwde me wel, dat ik niet vaak bij hem thuis zou mogen komen spelen. Hij had nog al wat broertjes en zusjes en dan werd het al gauw te druk. Hij voegde er aan toe dat veel mensen zijn moeder niet aardig vonden.
Oké, wij waren vriendjes. Een vreemde term. Hoe vaker je hem herhaalt, des te onwerkelijker het klinkt. Vriendjes zijn. Op een woensdagmorgen vond er iets bijzonders plaats. Wim zei op de speelplaats tegen mij: ”Mijn moeder zegt, dat ik al zo vaak bij jou heb gespeeld, dat je nu ook maar eens bij ons moet komen.” Woensdagmiddag vrij, dus dat kon. Hij haalde mij op, want ik wist niet eens precies waar hij woonde.
Zijn moeder stond ons in de deuropening op te wachten. Ze was groot. Ik denk dat ze drie keer zo lang was als mijn moeder en zeker twee keer zo breed. Niet dik. Nee, breed. Een kolossaal mens. Ze zei, ”Zo, ben jij het vriendje van Wim. Ik vind het goed als je hier komt spelen, maar geen rommel maken en denk er om, ik ben niet aardig.”
Het huis waarin Wim met zijn vader en moeder en nog vijf broertjes en zusjes woonde, was klein. Kleiner dan het huis waarin ik woonde. De kinderen sliepen boven, verspreidt over drie kamertjes. Wim alleen vooraan, drie zusjes in het middelste kamertje en de twee broertjes in het achterste kamertje. De vader en de moeder van Wim sliepen beneden.
Dus naar boven, naar Wim zijn kamertje. Aangestaard door vijf paar ogen trokken wij ons terug achter de deur van Wim zijn onderkomen.
Wim bleek een verrassende voorraad Dinky Toys te hebben. Ik vond ze direct prachtig en samen konden we er probleemloos de hele middag mee spelen. Om vier uur werd er geroepen voor een beker thee met een wafeltje. Dat haalden we op in de keuken. Aan de keukentafel zat zijn moeder. Ze keek niet aardig, nou ja dat was ze ook niet. “Altijd dat eten”, zei ze. Het klonk bijna vriendelijk. Die tegenstrijdigheid verraste mij.
“Altijd dat eten, wat moet ik ze in vredesnaam vandaag weer voorzetten. Wat eten jullie zo al”, zei ze, onverwacht de aandacht op mij richtend.
Onder stress kon ik als kind altijd goed presteren en kalm bijna gedecideerd zei ik: ”Wij eten alle dagen hetzelfde.” De kolossale vrouw keek mij verbluft aan. “Bruine bonen zeker? “ zei ze met enig venijn.
Maandag; boerenkool stamppot. Dinsdag; macaroni met stukjes ham uit blik. Woensdag; pannenkoeken. Donderdag is variabel; soms hutspot, soms aardappelen met een gehaktbal en andijvie. Vrijdag; aardappelen met stokvis, mosterdsaus en witte bonen. Zaterdag; patat met frikadel en appelmoes. Zondag; peertjes, sperziebonen, aardappelen en draadjesvlees.
Wim zijn moeder had tijdens mijn opsomming druk meegeschreven, maakte af en toe wat schimpende opmerkingen. Mompelde bijvoorbeeld; “Appelmoes, of het geld me op de rug groeit.”
Toen ik uitgesproken was keek ze me kwaad aan. Nee, dacht ik, het is geen aardig mens. Ze krabde zich onder één van haar kolossale oksels. Haar bovenlijf schommelde woest heen en weer. Toen keek ze me recht aan en leek ze iemand anders te zijn, vooral kwetsbaarder. Ik werd onrustig van haar blik. Ik vond haar zomaar aardig. ”Dank je”, zei ze. “Hier kan ik iets mee. Het is al half vijf. Neem nog maar een koekje en dan moest je maar weer naar huis gaan.”
Wim bleek ook nog ergens te zijn. Die hoorde ik protesterend zeggen, “Maar dan moet ik alles alleen opruimen.”  Zijn moeder reageerde niet. Keek mij nog steeds op die vreemde manier aan en herhaalde, ”Dan moest je nu maar naar huis gaan.”  Ik stond op, kuste haar op haar wang en ging weg.
De andere dag kwam Wim voor we het lokaal in gingen, gehaast op mij af. Hij zei, ”Ik wil geen vriendjes meer met je zijn.”  Toelichting gaf hij niet. Hij keek mij niet meer aan en dat heeft hij nadien ook nooit meer gedaan. Ik vroeg mij af of het door de kus kwam, maar een dag of wat later herinnerde ik mij, dat hij verteld had, dat hij geen aardappelen lustte en als zijn moeder mijn schema ging toepassen, dan kon hij zijn lol op.