Hoewel ik ruim vier maanden geleden Amsterdam tot volle
tevredenheid achter me heb gelaten, om mijn loopbaan te vervolgen bij de
politie Groningen, ben ik nog niet gewend aan de afgelegen locaties op
het platteland. Mijn collega’s hebben bijvoorbeeld standaard een paar
rubberlaarzen in de auto liggen. Die zouden mij op dit moment goed van
pas komen. Met grote passen loop ik achter agent De Wilde aan over het
weiland. Mijn dure leren laarsjes zakken bij elke stap dieper weg in de
drassige grond en al snel voel ik hoe mijn sokken en voeten nat worden.
Veel wijzer zullen we waarschijnlijk niet worden van het bekijken van de
tractor van Sjoerd Rinalda. Een tractor is een tractor. Dat ding zal
ons heus niet vertellen waar zijn eigenaar is gebleven.
Ik zucht diep als de Wilde me zijn arm aanbiedt om me het voertuig in
te hijsen. Het is koud en guur en ik wil het liefst zo snel mogelijk
terug naar de warme keuken van de boerderij. Wat me tegenhoudt is de
gedachte aan de stugge Willem Rinalda, die gisteravond laat naar het
bureau belde om zijn broer Sjoerd als vermist op te geven. Een vreemde
man vind ik het, die Willem. Hij heeft de hele ochtend nog geen vijf
woorden gezegd.
Ik wil net mijn laars afvegen aan het matje in de tractor als mijn oog
valt op een sigarettenpeuk. De Wilde ziet het ook en trekt direct een
plastic zakje uit zijn binnenzak. Dat is in elk geval iets. Maar
misschien rookt Sjoerd gewoon en schieten we er verder niets mee op. We
kijken nog wat rond, waarbij ik achtereenvolgens voorover buig om onder
de stoelen te loeren, rechtop ga staan om over het land te turen en me
voorzichtig van de tractor laat glijden om vervolgens op mijn hurken
onder het gevaarte te kijken. Het levert niets op. Helaas is het
vannacht gaan regenen, waardoor eventuele voetsporen zijn uitgewist.
Kleumend betreden we even later de behaaglijke ruimte
van de boerenhoeve. Willem Rinalda zit aan de keukentafel voor zich uit
te staren, zijn vlasblonde haar hangt in slierten langs zijn gezicht.
Onze kersverse collega Agnes Veenhuizen staat bij het aanrecht en
bestudeert een plastic zak, die ze vlak voor haar ogen houdt. In de zak
zit de brief waarin om losgeld wordt gevraagd. Ik was bijna in de lach
geschoten toen ik het amateuristische vel voor de eerste keer zag. De
letters waren uitgeknipt uit tijdschriften en kranten, wat nogal knullig
overkwam. Ik neig ernaar om de hele zaak met een grote korrel zout te
nemen. Maar zolang de jongste broer nog niet boven water is, zit er
niets anders op dan de zaak bloedserieus te nemen.
Het lijkt erop dat we voorlopig niets zinnigs meer uit Willem krijgen
en daarom besluit ik het dorp in te gaan. De Wilde rijdt samen met Agnes
terug naar het bureau, waar we later die dag overleg zullen hebben over
de overdracht van het losgeld. Geld wat op dit moment nog veilig in de
kluis van de Rinalda Hoeve ligt. Rillend van de kou stap ik in mijn
auto, start de motor en zet de verwarming op de hoogste stand. Daarna
haal ik een doos vochtige doekjes uit het dashboardkastje, trek er een
handjevol uit en begin woest over mijn schoenen te wrijven. Echt schoon
worden ze niet, maar de dikste kleilaag is er tenminste af. Desondanks
zijn mijn vieze schoenen en broekspijpen het eerste waar het groepje
mannen in het dorpscafé naar kijkt.
‘Zo, zo dame, nog niet gewend aan platteland?’
Een wat oudere gedrongen man, met een zwaar Gronings accent, kijkt me
spottend aan. Hij heeft een bruine vale pet op zijn hoofd en draagt een
blauwe werkoverall.
Ik reageer niet op zijn vraag, maar besluit direct van wal te steken.
‘Heeft iemand van jullie Sjoerd Rinalda kortgeleden nog gezien?’
Het groepje neemt me wantrouwend op. Net als ik denk dat er niets uit zal komen, stapt de lompe man naar voren.
‘Die asielzoekerscentra, niks waard. Je ziet het, probeer je iemand te
helpen en krijg je dit. Als Sjoerd niet zo nodig dat meidje had willen
helpen, had jij hier nu niet gestaan.’
Bij die laatste woorden kijkt hij me uitdagend aan. De toon is gezet.
Ik doe nog een laatste poging door te vragen naar de naam van de vrouw,
maar het levert niets op. Het enige wat de cafégasten weten te melden,
is dat ze een donkere huidskleur heeft. Een chocoladebruin wichtje, zoals zij het noemen.
Buiten regent het inmiddels weer gestaag. Ik trek de kraag van mijn jas
beschermend omhoog. Net voordat ik mijn auto in wil stappen, komt de
bardame op me afstevenen. De dikke laag make-up valt hier in het
daglicht meer op dan in de schemerige ruimte van de bar. Haar
helderblauwe ogen kijken me vriendelijk en belangstellend aan.
‘Trek je niets aan van die botte gasten, ze hebben nou eenmaal niet zoveel op met mensen van buitenaf.’
De woorden komen er hijgend uit en ze wacht even tot ze op adem is voordat ze verder gaat.
‘Sjoerd is een prima vent, ik hoop dat jullie hem snel vinden. Dat
meidje uit Somalië, Awo heet ze, had onderdak nodig. Ze dreigde het land
uitgezet te worden. Ik kon haar niet langer in huis hebben, teveel
mensen die hier over de vloer komen, snap je? En Sjoerd leek haar wel
leuk te vinden.’
Bij die laatste woorden buigt ze samenzweerderig naar me toe.
‘Weet je dat haar naam geluk voor altijd betekent, mooi hè?'
Een sterke parfumgeur bereikt mijn neus en ik wend snel mijn hoofd af om te niezen. De blonde vrouw kijkt me bevreemd aan.
‘Sorry, ga door,’ weet ik proestend uit te brengen. Ondertussen graai ik in mijn tas naar een tissue.
‘Nou ja, om een lang verhaal kort te maken: Sjoerd heeft haar meegenomen naar de boerderij. Plek zat toch?’
Ze kijkt me triomfantelijk aan. Ik wil nog iets vragen als de deur van
het café openzwaait en twee van de kerels van daarnet naar buiten
stappen. Zonder me nog een blik waardig te gunnen, draait de vrouw zich
om en haast zich naar binnen. Omdat ik geen zin heb in een nieuwe
confrontatie met de mannen, stap ik mijn auto in en geef gas.
Op het bureau aangekomen haal ik eerst een bakje koffie, alvorens aan te schuiven aan de vergadertafel.
De Wilde heeft de feiten tot nu toe op het whiteboard geschreven. Het is niet veel.
Verdwijning-ontvoering?-losgeld- slechte verhouding broers.
Mijn collega’s kijken afwachtend mijn kant op en ik vertel in het kort over mijn ontmoeting met de dorpsbewoners.
Het valt niet mee om tot die gesloten gemeenschap door te dringen,’
merkt Piet van Velzen op. ‘Wat dat betreft is Eensum wel een beetje
apart’.
Hij is een wat rustige, oudere man, die al heel wat jaren meedraait in
dit korps. ‘Maar als je eenmaal hun vertrouwen hebt gewonnen, dan gaan
ze voor je door het vuur.’
Agnes schraapt haar keel. ‘Er is nog iets wat van belang kan zijn voor
het onderzoek. Er is vanmiddag gebeld door een anonieme tipgever. Deze
vrouw wist te vertellen dat Sjoerd Rinalda een regelmatige bezoeker is
van de rosse buurt in de stad.’
De Wilde trekt de dop van de stift en voegt rosse buurt aan het
rijtje toe. Ik staar naar de woorden en probeerde er een verband in te
zien. Het verzamelen van feiten en herkennen van patronen vormen een
groot onderdeel van mijn onderzoekswerk. Net op het moment dat ik wil
voorstellen om een brainstormsessie te houden, klinkt de ringtone van
mijn mobiele telefoon. Ik sta op en loop de kamer uit.
‘Myrthe, we hebben een lichaam gevonden. Het lijkt erop dat het om Rinalda gaat.’
Samen met Agnes stap ik in de auto. De Wilde vertrekt richting de boerderij om daar nog wat rond te kijken.
Vanaf het bureau is het slechts vijf minuten rijden naar de Nieuwstad.
Van ver zie ik het rood-witte lint waarmee een stuk van de straat is
afgezet. Een aantal prostituees heeft zich naar buiten gewaagd om te
kijken wat er aan de hand is, maar het is opvallend hoeveel gordijnen er
dicht zijn getrokken. De vrouwen hebben het niet zo op de politie en
ook clientèle is in geen velden of wegen te bekennen.
Mannen van de Forensische Recherche lopen in witte pakken rond. Een mij
onbekende agent wijst naar een smalle steeg. Dat het lichaam nu pas is
gevonden, komt mede doordat het vanaf de straat niet zichtbaar was.
Achterin het donkere gangetje staat een grijze kliko en daarachter
bevindt zich het plaats delict. Rinalda werd gevonden dankzij een
nieuwsgierige hond, die zijn baasje naar het lijk leidde. Hoewel ik best
wat gewend ben, schrik ik van wat ik aantref. In een reflex duw ik
nieuwkomer Agnes naar achteren. ‘Wacht even. Ik roep je zometeen, oké?’
Forensisch onderzoeker Joost Zeeman reikt me een paar plastic hoesjes
aan, die ik routinematig over mijn schoenen trek. Rondom het lijk heeft
zich een grote plas bloed gevormd. Ik vraag aan Zeeman hoe Rinalda, ik
herken hem direct van de foto, om het leven is gekomen. Zeeman kijkt me
doordringend aan en knikt dan richting het onderlichaam van de dode
Sjoerd. ‘Waarschijnlijk was hij al buiten bewustzijn, gezien de bult op
zijn hoofd.’
Een golf van misselijkheid trekt door me heen als ik de oorprong van
het grote bloedverlies zie. Geschokt stel vast dat de dader het
slachtoffer heeft beroofd van zijn penis. Het kleine hompje vlees ligt
even verderop, als stille getuige in een plasje bloed. Uit alle macht
slik ik het gal, wat zich in mijn mond heeft verzameld, door. Het is
duidelijk: Sjoerd Rinalda is doodgebloed nadat iemand het
geslachtsdeel heeft afgesneden. Volgens de forensisch specialist is het
met een scherp mes gebeurd, gezien het feit dat de wond geen
kartelranden heeft. Na het beeld nog één keer goed in me opgenomen te
hebben, draai ik me om. Agnes staat even verderop op me te wachten.
‘Kom, we gaan wat vragen stellen aan de dames.’
Mijn collega protesteert, maar ik trek haar vastbesloten met me mee. Ik
begrijp haar teleurstelling. Het is haar eerste moordzaak, maar ik wil
haar hier nog niet aan bloot te stellen. Ze zal gauw genoeg worden
geconfronteerd met de gruwelijke kanten van ons werk.
Het is verdacht stil in het pand wat aan de rechterkant van de steeg
grenst. Net als ik door wil lopen naar het volgende raam, zie ik door de
spleet van het gordijn iets bewegen. Ik klop nogmaals hard op het raam
en dat heeft resultaat. Een jonge vrouw met een Afrikaans uiterlijk,
schuift schichtig het gordijn opzij. Nadat ze me van top tot teen heeft
opgenomen, gebaart ze dat ik naar de voordeur moet komen. Ik zie hoe
Agnes bij het linker huis naar binnen stapt.
Een muffe lucht, vermengd met de geur van wierook, verwelkomt me als ik
de kleine hal binnenstap. Op de vloer ligt bordeauxrode vloerbedekking,
die zo te zien zijn beste tijd heeft gehad, gezien de slijtplekken die
her en der in het tapijt zitten. De vrouw voor me is slechts gekleed in
een witte doorschijnende slipdress, met daaronder een witte string.
Dankzij haar hoge hakken torent ze een eindje boven me uit, maar
desondanks maakt ze een kleine, kwetsbare indruk op me. Haar ogen staan
moe en ze lijken ergens in de verte te staren. In het peeskamertje, waar
dezelfde rode vloerbedekking ligt, wijst ze naar een stoel en gaat zelf
op het bed zittten.
Ik vraag hoe ze heet en ze antwoordt met ‘please english’, dus herhaal ik mijn vraag in het Engels.
‘I am Susanna.’
Haar stem klinkt zacht en berustend. Ik kan me niet aan de indruk
onttrekken dat ze onder invloed van een kalmerend middel is. De vrouw
kan zich niet herinneren of ze de man op de foto ooit eerder heeft
gezien. Haar handen trillen als ze me de afdruk teruggeeft. Ze werkt
hier nu twee maanden zegt ze en ze heeft hem in elk geval niet als klant
gehad. Op mijn vraag waar ze oorspronkelijk vandaan komt reageert ze
afwerend. Ik begrijp dat ze bang voor me is. Haar angst is niet
ongegrond, want ik zou niet raar opkijken als ze hier illegaal in
Nederland verblijft. Maar op dit moment zijn immigratiezaken echter geen
prioriteit, vandaar dat ik niet verder doorvraag. Toch is er iets wat
me dwars zit en het dringt pas tot me door wat het is, als ik al bijna
de de deur uit ben. Ik kan het bij het verkeerde eind hebben, het is een
wilde gok, maar ik besluit het erop te wagen. Vlak voordat ik over de
drempel naar buiten stap, draai ik me snel om en kijk haar recht in de
ogen. ‘Awo’.
Ik zeg het woord hard en krachtig en het heeft het beoogde effect. De
vrouw tegenover me schrikt zichtbaar en begint ‘nee, nee, nee’ te
roepen. Ik duw haar zachtjes terug de gang in en sluit de deur achter
ons. Als ze weer op het bed zit begint ze zachtjes te huilen. ‘Het was
niet zijn bedoeling om hem te vermoorden. Hij kwam gewoon voor mij op,
weet je. Hij is een goede man, Willem.’
Ze spreekt de W uit alsof het een V is, maar er is geen twijfel over
wie ze het heeft. Heeft Willem zijn eigen broer vermoord? En waarom?
Langzaam begint het me te dagen. Er is geen van een liefdesrelatie
tussen Sjoerd Rinalda en de Somalische vluchtelinge. Hier is sprake van
vrouwenhandel en het lijkt erop dat Sjoerd er een kwalijke rol in heeft
gespeeld. ‘Heeft Sjoerd je pijn gedaan?’
Awo huilt nog steeds. ‘Hij was een slechte man. Ik moest geld voor hem verdienen, anders sloeg hij me’.
Ze schuift haar witte jurkje een stukje omhoog en laat me de
bloeduitstorting op haar heup zien. Ik denk aan de lovende woorden van
de dorpsbewoners. Zullen zij geloven dat de charmante jonge boer tot
zoiets in staat bleek te zijn?
Nu ze eenmaal haar verhaal kan doen is Awo niet meer te stoppen 'Hij
had bijna elke dag seks met me. Deze week heeft hij me zelfs meegenomen
naar de boerderij.’
Wat ze vertelt klopte met de verhalen die ik heb gehoord over het meisje dat op de boerenhoeve is gezien.
‘En Willem?’
‘Willem is goed. Toen ik in hun huis was, hoorde hij hoe zijn broer me verkrachtte.’
Ze stopt even en lijkt te aarzelen of ze verder moest gaan. Er loopt
een straaltje snot uit haar neus, die ze afwezig met haar hand wegveegt.
Ik knik haar bemoedigend toe.
‘Eergisteren kwam Willem en hij zag me huilen. Toen hij zag hoe zijn
broer me uitlachte, werd hij woest. Buiten heeft hij het gedaan. Hij
heeft zijn ‘ding’ eraf gesneden. En toen is hij weggerend.’
Awa durft het geslachtsdeel duidelijk niet expliciet te noemen. Ze kijkt me schuldbewust aan. ‘Ik heb niemand iets verteld.’
Terwijl we in de auto richting de binnenstad rijden,
probeer ik tot me door te laten dringen wat ik zojuist heb gehoord.
Agnes zit samen met Awo, die snel een joggingpak over haar ondergoed had
aangetrokken, op de achterbank en praat zachtjes met haar. Ze zal in
voorlopige hechtenis worden genomen, totdat besloten is wat er verder
met haar moet gebeuren. Nadat ik mijn collega samen met de vluchtelinge
heb afgezet bij het bureau, vertrek ik naar Eensum. Het arrestatieteam
is ingeschakeld en ze kunnen elk moment arriveren. Mijn intuitie van
eerder die dag is juist gebleken. De losgeldbrief was slechts bedoeld
als afleiding, een dwaalspoor die Willem had gezet om de verdenking van
hem af te leiden. In zijn paniek had hij er echter niet bij stilgestaan
dat Awo haar verhaal aan de politie zou doen.
Ik rijd het dorp in en minder vaart. Een ambulance met zwaailicht en
sirene vliegt me met een bloedgang voorbij. Ik vraag me af waar hij naar
onderweg is en in mijn onderbuik begint het te draaien. Mijn vermoeden
wordt bevestigd als ik in de verte de boerderij zie liggen en blauwe
lichten op het terrein zie flitsen. Ik trap het gaspedaal dieper in en
zodra ik stilsta op het erf, spring ik de auto uit en ren richting de
stallen.
Willem ligt achterover op een baal hooi, met een stuk touw om zijn
hals. De ambulancebroeder staat over hem heen gebogen. Hij schudt zijn
hoofd.
‘Toen ik hem zag hangen, heb ik direct het touw doorgesneden,’ zegt de
Wilde met schorre stem. Hij staat met een bleek gezicht te kijken naar
het schouwspel wat zich voor ons afspeelt en lijkt zich nog steeds niet
te beseffen dat de man echt dood is. Ik zucht diep en loop langzaam, met
mijn handen in mijn zakken, de stal uit. Terwijl ik over het weidse
landschap kijk besef ik me hoe slecht wij onze medemens eigenlijk
kennen. De eerste indruk van de ander blijkt niet altijd de juiste te
zijn. Ik open het portier van mijn auto. Tijd om naar het bureau te gaan
en verslag uit te brengen. Het nieuws zal zich waarschijnlijk als een
lopend vuurtje door Eensum verspreiden. Hoewel ik niet altijd blij ben
met de soms koppige houding van de mensen hier, voel ik toch mee met de
kleine gesloten dorpsgemeenschap, waar een brute moord, gevolgd door de
zelfmoord van de oudste broer Rinalda, diepe sporen zal achterlaten bij
de mensen die ze goed gekend hebben.
Een weblog over schrijven, schrijvers en verhalen. Een ondersteuning voor wie wil schrijven en een onderdeel van het project dewebschrijvers.nl
zondag 19 februari 2012
zaterdag 18 februari 2012
Fifty ways to leave your lover
Fifty ways to leave your lover
door Geeske Planten
door Geeske Planten
‘Tot volgende week.’ Met een grijns op zijn gezicht
verliet Gerard café “De Toeter”. Van de vier boompjes die ze gespeeld hadden,
had hij er drie gewonnen. Fluitend liep hij over de Turfsingel en de
Spilsluizen naar de ondergrondse garage aan de Ossenmarkt, zijn favoriete
parkeerstek in “Stad”. Meestal fietsten hij en zijn vriendin Ellen van hun huis
in Winsum naar Groningen, maar als ze van te voren wisten dat het wat later zou
worden, kozen ze voor de auto.
Hij nam de trap naar beneden naar een vlak boven de gracht gelegen deel van het trottoir, waar de hoofdingang van de garage was weggewerkt in de kademuur. Toen hij even later het parkeerdek opwandelde, keek hij met plezier om zich heen. De ronde vorm met de twee langs elkaar spiralende banen voor in- en uitgaande auto’s en het met regelmaat van kleur veranderende beton bekoorden hem keer op keer. Het was een mooie vondst van de architect om vanuit een aan het oog onttrokken diepte lampen omhoog te laten schijnen die dit kleurenspel bewerkstelligden.
Eenmaal in de auto gezeten, die gewoontegetrouw op de 1e etage dicht bij het trappenhuis stond, draaide hij de contactsleutel een kwart slag om en deed de radio aan. Op de klok van het dashboard was te zien dat het nog vroeg was. Licht onderuit geschoven zong hij mee met Paul Simon, ‘Fifty ways to leave your lover’. Hij hoopte dat Ellen haar vergadering van de Waddenvereniging niet al te veel zou uitlopen.
Langzaam werd hij wakker, waar was hij?. Hij had de radio aangezet, herinnerde hij zich. Uit de luidsprekers klonk de titelsong van “The Godfather”. Om zich heen kijkend herkende hij zijn omgeving weer. Bij de slagboom van de parkeergarage stond nu een goudbruine SUV. Hij had een gruwelijke hekel aan deze veel te grote auto’s én hun berijders. Hufters achter het stuur, dat waren het. Wie zette zijn auto nou daar nou neer?
Er stonden twee mannen naast die, te oordelen naar hun houding en gebaren een fikse ruzie met elkaar hadden. Hij grinnikte, de muziek kwam aardig overeen met de scene die hij aanschouwde. Vast een afrekening, dacht hij luguber of iemand die teveel weet.
Inmiddels was hij klaar wakker en ging er eens voor zitten. De radio stoorde hem. Nadat hij het geluid had uitgedraaid, kon hij de mannen horen. Eén van beiden praatte met overslaande stem, nee hij praatte niet, hij jammerde, hij pleitte
‘Toe man, Kees je moet me geloven, je krijgt het echt.’
De ander was slechter te verstaan. Zijn lange zwarte vette haar verhoogde de dreiging die van hem uitstraalde. Hij keek omzichtig om zich heen en duwde zijn heel veel kleinere metgezel tegen een reling aan, die het wegdek scheidde van de diepte van waaruit de lampen schenen.
‘Voorzichtig hé, kijk nou uit Kees. Je krijgt het Kees, ik beloof het,’ jammerde de kleine man terwijl hij een aantal keren over zijn schouder naar beneden keek, ‘je krijgt het morgen’.
Kees reageerde door de kleine man bij zijn jas te pakken en hem zo hoog op te tillen dat hij hem over de reling had kunnen laten vallen. Daarna zette hij hem weer neer.
Gerard haalde opgelucht adem. Wat was dit voor idioots waar hij getuige van was?
De kleine man fatsoeneerde zijn kleren voordat hij op een andere toon het gesprek vervolgde.
‘Wat wil je nou eigenlijk?’ Hij stak een sigaret op en ging verder. ‘Je moet eens proberen na te denken en te luisteren in plaats van alles met domme spierkracht op te lossen. Ik heb het nu niet,’ de kleine man benadrukte elk woord van deze zin.
Gerard had de neiging zijn raampje open te doen om mee te krijgen hoe Kees, zoals de man kennelijk heette, hierop zou reageren. Kees, hij kauwde even op die naam, Sjonnie paste beter bij zo’n klerenkast. Zijn hand ging richting de knop van de elektrische raambediening.
Jezus!
Voor zijn ogen pakte Kees het mannetje opnieuw op, tilde hem over de reling en liet los. Een hartverscheurende kreet klonk door de garage.
Gerard kon niet bevatten wat hij zag. Dit was niet echt, dit kon niet waar zijn. Werden er misschien filmopnames gemaakt, maar waar was dan de camera? Had niemand anders het gezien? Hij gooide het portier open en stapte uit, de mouw van zijn jas haakte ergens achter, hij merkte het niet. Verstijfd van schrik bleef hij staan.
Kees, die hem uit de auto had zien komen, richtte tergend langzaam een pistool op hem.
In het trappenhuis schuin achter Gerard liepen lachende mensen door naar beneden naar de 2e etage. Hij zag dat Kees hier heel even door afgeleid werd en dook weg. Naast hem ketste iets hard tegen de muur.
Godsamme, waar was hij in verzeild geraakt? Begeleid door zijn bonkende hartslag kroop hij naar achteren om in de beschutting van zijn auto te komen. Daarna verplaatste hij zich vrijwel geluidloos langs een aantal geparkeerde auto’s. Shit, hij had natuurlijk de andere kant uit moeten gaan, dan was hij dichter bij de uitgang geweest. Onmiddellijk realiseerde hij zich dat dat veel gevaarlijker was, want dan was hij als een sitting duck in de volle lichtbundel van het trappenhuis terecht gekomen. Voorzichtig gluurde hij om een auto heen om te zien waar zijn belager was gebleven. Kees stond er nog net zo met het pistool in de hand van zijn gestrekte rechterarm.
Gerard pakte zijn mobieltje uit zijn binnenzak en klapte het open om 112 te bellen. Tegelijkertijd zag hij hoe Kees in beweging kwam, zoekend met zijn wapen in de aanslag kwam hij steeds dichterbij.
Gerard moest iets doen, Kees kon elk moment bij hem zijn. Haastig keek hij om zich heen, maar hij zag vrijwel niets door het zweet dat in zijn ogen prikte.
Hij nam de trap naar beneden naar een vlak boven de gracht gelegen deel van het trottoir, waar de hoofdingang van de garage was weggewerkt in de kademuur. Toen hij even later het parkeerdek opwandelde, keek hij met plezier om zich heen. De ronde vorm met de twee langs elkaar spiralende banen voor in- en uitgaande auto’s en het met regelmaat van kleur veranderende beton bekoorden hem keer op keer. Het was een mooie vondst van de architect om vanuit een aan het oog onttrokken diepte lampen omhoog te laten schijnen die dit kleurenspel bewerkstelligden.
Eenmaal in de auto gezeten, die gewoontegetrouw op de 1e etage dicht bij het trappenhuis stond, draaide hij de contactsleutel een kwart slag om en deed de radio aan. Op de klok van het dashboard was te zien dat het nog vroeg was. Licht onderuit geschoven zong hij mee met Paul Simon, ‘Fifty ways to leave your lover’. Hij hoopte dat Ellen haar vergadering van de Waddenvereniging niet al te veel zou uitlopen.
Langzaam werd hij wakker, waar was hij?. Hij had de radio aangezet, herinnerde hij zich. Uit de luidsprekers klonk de titelsong van “The Godfather”. Om zich heen kijkend herkende hij zijn omgeving weer. Bij de slagboom van de parkeergarage stond nu een goudbruine SUV. Hij had een gruwelijke hekel aan deze veel te grote auto’s én hun berijders. Hufters achter het stuur, dat waren het. Wie zette zijn auto nou daar nou neer?
Er stonden twee mannen naast die, te oordelen naar hun houding en gebaren een fikse ruzie met elkaar hadden. Hij grinnikte, de muziek kwam aardig overeen met de scene die hij aanschouwde. Vast een afrekening, dacht hij luguber of iemand die teveel weet.
Inmiddels was hij klaar wakker en ging er eens voor zitten. De radio stoorde hem. Nadat hij het geluid had uitgedraaid, kon hij de mannen horen. Eén van beiden praatte met overslaande stem, nee hij praatte niet, hij jammerde, hij pleitte
‘Toe man, Kees je moet me geloven, je krijgt het echt.’
De ander was slechter te verstaan. Zijn lange zwarte vette haar verhoogde de dreiging die van hem uitstraalde. Hij keek omzichtig om zich heen en duwde zijn heel veel kleinere metgezel tegen een reling aan, die het wegdek scheidde van de diepte van waaruit de lampen schenen.
‘Voorzichtig hé, kijk nou uit Kees. Je krijgt het Kees, ik beloof het,’ jammerde de kleine man terwijl hij een aantal keren over zijn schouder naar beneden keek, ‘je krijgt het morgen’.
Kees reageerde door de kleine man bij zijn jas te pakken en hem zo hoog op te tillen dat hij hem over de reling had kunnen laten vallen. Daarna zette hij hem weer neer.
Gerard haalde opgelucht adem. Wat was dit voor idioots waar hij getuige van was?
De kleine man fatsoeneerde zijn kleren voordat hij op een andere toon het gesprek vervolgde.
‘Wat wil je nou eigenlijk?’ Hij stak een sigaret op en ging verder. ‘Je moet eens proberen na te denken en te luisteren in plaats van alles met domme spierkracht op te lossen. Ik heb het nu niet,’ de kleine man benadrukte elk woord van deze zin.
Gerard had de neiging zijn raampje open te doen om mee te krijgen hoe Kees, zoals de man kennelijk heette, hierop zou reageren. Kees, hij kauwde even op die naam, Sjonnie paste beter bij zo’n klerenkast. Zijn hand ging richting de knop van de elektrische raambediening.
Jezus!
Voor zijn ogen pakte Kees het mannetje opnieuw op, tilde hem over de reling en liet los. Een hartverscheurende kreet klonk door de garage.
Gerard kon niet bevatten wat hij zag. Dit was niet echt, dit kon niet waar zijn. Werden er misschien filmopnames gemaakt, maar waar was dan de camera? Had niemand anders het gezien? Hij gooide het portier open en stapte uit, de mouw van zijn jas haakte ergens achter, hij merkte het niet. Verstijfd van schrik bleef hij staan.
Kees, die hem uit de auto had zien komen, richtte tergend langzaam een pistool op hem.
In het trappenhuis schuin achter Gerard liepen lachende mensen door naar beneden naar de 2e etage. Hij zag dat Kees hier heel even door afgeleid werd en dook weg. Naast hem ketste iets hard tegen de muur.
Godsamme, waar was hij in verzeild geraakt? Begeleid door zijn bonkende hartslag kroop hij naar achteren om in de beschutting van zijn auto te komen. Daarna verplaatste hij zich vrijwel geluidloos langs een aantal geparkeerde auto’s. Shit, hij had natuurlijk de andere kant uit moeten gaan, dan was hij dichter bij de uitgang geweest. Onmiddellijk realiseerde hij zich dat dat veel gevaarlijker was, want dan was hij als een sitting duck in de volle lichtbundel van het trappenhuis terecht gekomen. Voorzichtig gluurde hij om een auto heen om te zien waar zijn belager was gebleven. Kees stond er nog net zo met het pistool in de hand van zijn gestrekte rechterarm.
Gerard pakte zijn mobieltje uit zijn binnenzak en klapte het open om 112 te bellen. Tegelijkertijd zag hij hoe Kees in beweging kwam, zoekend met zijn wapen in de aanslag kwam hij steeds dichterbij.
Gerard moest iets doen, Kees kon elk moment bij hem zijn. Haastig keek hij om zich heen, maar hij zag vrijwel niets door het zweet dat in zijn ogen prikte.
Na een paar keer knipperen was zijn beeld weer scherp
en ontdekte hij een manier om weg te komen: telkens als Kees langs een van de
vele steunpilaren liep, was hij een fractie van een seconde onzichtbaar.
Ergens werd een motor gestart.
NU.
Hij kwam overeind en liet zich een paar meter verder tegen de betonnen balustrade vallen, zijn telefoon kletterde voor hem op de grond. Even voelde hij een heftige pijn in zijn schouder. In de bescherming van het gebrom van de auto die richting uitgang ging, kroop hij zo snel als hij kon naar zijn mobieltje en verder naar beneden naar de 2e etage, waar hij tijdelijk uit het zicht was. Hij kwam overeind en zuchtte een aantal keren diep in de hoop daarmee zijn ademhaling onder controle te krijgen. Weer deed hij een poging om te bellen, shit geen bereik!
Een etage hoger of lager, dat kon hij niet goed horen, kwam iemand vanuit het trappenhuis de garage in lopen. Het geluid van de deur werd grotendeels gesmoord door de auto die in de binnenring naar hem toe cirkelde. Hij zwaaide met zijn armen om de aandacht van de chauffeur te trekken. Deze zag hem, keek snel weer voor zich en gaf gas.
Het drong nauwelijks tot Gerard door, want het schrikbeeld dat het Ellen was, die het parkeerdek op was komen lopen, racete door hem heen. Wat als Kees haar in de auto zag stappen waar hij net uitkwam? Hij onderdrukte de neiging heel hard te vloeken. Hij moest iets doen, maar wat en waar was Kees?
Weg dan.
Gerard rende verder naar beneden, dieper de garage in. Hij zocht een schuilplaats of een uitgang. Toch niet, geen uitgang, daar was veel te veel licht. Hij kon ook niet blijven doorlopen, uiteindelijk zat hij als een rat in de val, hij zou zich ergens moeten verstoppen, hij moest verdwijnen.
Even verderop stond een auto met donker getinte ramen geparkeerd. Hij rende erheen en probeerde het portier, het autoalarm schalde door de garage. Goddomme, hij schrok zich de tering. Gejaagd keek hij rond. Verder.
In de buurt van het trappenhuis van de derde etage zag hij tussen een aantal andere auto’s een oud VW-busje geparkeerd staan. Het busje was omgebouwd tot camper en had een groot bagagerek op het dak. Hij klom via het trapje aan de achterkant van de bus omhoog en liet zich plat tussen de planken van het rek vallen.
Hij luisterde en hoorde alleen maar stilte, angstaanjagende stilte. Hij kon met moeite omhoog komende braaksel wegslikken, waarbij de zure smaak van gal achterbleef. Het alarm was gestopt en waarschijnlijk was degene die hij had horen lopen ook al weg. Heel langzaam ontspande hij iets. Zou hij zijn telefoon proberen te pakken? Hij verwierp de zinloze gedachte onmiddellijk, hij was nog dieper onder de grond en had hier zeker geen bereik.
Tussen de bodem en de zijschotten van het bagagerek zat een kier. Hij probeerde er doorheen te kijken, maar hoe hij zijn hoofd ook draaide, het lukte met geen mogelijkheid. Zou hij over de rand van het rek kijken? Net toen hij bedacht dat dat niet verstandig was, hoorde hij voetstappen dichterbij komen.
Zijn spieren verkrampten en zijn hart ging zo tekeer dat het ook voor een ander te horen moest zijn. Hij zou ontdekt worden, dat wist hij zeker.
De persoon liep verder, de specifieke klik van een afstandsbediening werd gevolgd door het dichtslaan van een portier en het starten van een auto.
Pfff, dat was goed gegaan. Hij moest hulp vragen, maar hij durfde zich niet bloot te geven zolang hij niet wist waar Kees was. Moest hij dan toch over de rand van het rek gluren? Heel voorzichtig probeerde hij zich op te richten. Nu pas voelde hij goed hoe hard hij tegen de betonnen balustrade was gevallen, zijn nek en linkerarm waren helemaal beurs. Hij duwde zichzelf een eindje omhoog, maar kon zijn eigen gewicht niet met één arm dragen. Hard viel hij terug op de bodem van het bagagerek en kwam met zijn hoofd op iets scherps terecht. Tranen sprongen in zijn ogen, hij vloekte binnensmonds, vast de sluiting van een van de sjorbanden die hij had zien liggen. Hij moest even bijkomen van de inspanning en probeerde opnieuw te verzinnen hoe hij ongemerkt de omgeving zou kunnen verkennen.
Hij proefde het zout van zweet en tranen vermengd met de ijzersmaak van bloed. Met zijn arm veegde hij over zijn gezicht, een grote rode vlek bleef achter op de mouw van zijn jas. Verdomme ook dat nog. Met moeite, zijn schouder weigerde dienst, trok hij een zakdoek uit zijn broekzak en drukte die tegen de zijkant van zijn wenkbrauw. Dit soort wonden kende hij van het hockeyveld, het stelde niet zoveel voor, maar het bloedde als een rund.
Zijn lichaam verkrampte zonder dat hij wist waarom, tot de oorzaak tot zijn bewustzijn doordrong: voetstappen in de verte, met kleine tussenpozen. Kees? Checkte hij alle auto’s? Gerard registreerde hoe zijn bloed door de kier in het rek naar beneden drupte.
Het geluid kwam dichterbij, vijf, zes stappen gevolgd door stilte.
Hij hield zijn adem in. In gedachten zag hij de aanwijzingen in het script voor zich: Kees ontdekt het bloed, voelt eraan en wrijft het nadenkend tussen zijn vingers …., hier werden zijn gedachten abrupt verstoord door geritsel vlak naast zijn hoofd. Hij voelde zijn kruis nat worden.
‘Hé, was soll das,’ riep iemand uit de verte.
Mensen kwamen aanhollen.
‘Verdammt noch mal, der Lump, was soll der bei unserem Camper? Bestimmt ein Junk, der gerade gespritzt hat. Guck mal, alles Blut’.
‘Was denkst du, etwas kaputt,’ vroeg een andere stem.
Ergens werd een motor gestart.
NU.
Hij kwam overeind en liet zich een paar meter verder tegen de betonnen balustrade vallen, zijn telefoon kletterde voor hem op de grond. Even voelde hij een heftige pijn in zijn schouder. In de bescherming van het gebrom van de auto die richting uitgang ging, kroop hij zo snel als hij kon naar zijn mobieltje en verder naar beneden naar de 2e etage, waar hij tijdelijk uit het zicht was. Hij kwam overeind en zuchtte een aantal keren diep in de hoop daarmee zijn ademhaling onder controle te krijgen. Weer deed hij een poging om te bellen, shit geen bereik!
Een etage hoger of lager, dat kon hij niet goed horen, kwam iemand vanuit het trappenhuis de garage in lopen. Het geluid van de deur werd grotendeels gesmoord door de auto die in de binnenring naar hem toe cirkelde. Hij zwaaide met zijn armen om de aandacht van de chauffeur te trekken. Deze zag hem, keek snel weer voor zich en gaf gas.
Het drong nauwelijks tot Gerard door, want het schrikbeeld dat het Ellen was, die het parkeerdek op was komen lopen, racete door hem heen. Wat als Kees haar in de auto zag stappen waar hij net uitkwam? Hij onderdrukte de neiging heel hard te vloeken. Hij moest iets doen, maar wat en waar was Kees?
Weg dan.
Gerard rende verder naar beneden, dieper de garage in. Hij zocht een schuilplaats of een uitgang. Toch niet, geen uitgang, daar was veel te veel licht. Hij kon ook niet blijven doorlopen, uiteindelijk zat hij als een rat in de val, hij zou zich ergens moeten verstoppen, hij moest verdwijnen.
Even verderop stond een auto met donker getinte ramen geparkeerd. Hij rende erheen en probeerde het portier, het autoalarm schalde door de garage. Goddomme, hij schrok zich de tering. Gejaagd keek hij rond. Verder.
In de buurt van het trappenhuis van de derde etage zag hij tussen een aantal andere auto’s een oud VW-busje geparkeerd staan. Het busje was omgebouwd tot camper en had een groot bagagerek op het dak. Hij klom via het trapje aan de achterkant van de bus omhoog en liet zich plat tussen de planken van het rek vallen.
Hij luisterde en hoorde alleen maar stilte, angstaanjagende stilte. Hij kon met moeite omhoog komende braaksel wegslikken, waarbij de zure smaak van gal achterbleef. Het alarm was gestopt en waarschijnlijk was degene die hij had horen lopen ook al weg. Heel langzaam ontspande hij iets. Zou hij zijn telefoon proberen te pakken? Hij verwierp de zinloze gedachte onmiddellijk, hij was nog dieper onder de grond en had hier zeker geen bereik.
Tussen de bodem en de zijschotten van het bagagerek zat een kier. Hij probeerde er doorheen te kijken, maar hoe hij zijn hoofd ook draaide, het lukte met geen mogelijkheid. Zou hij over de rand van het rek kijken? Net toen hij bedacht dat dat niet verstandig was, hoorde hij voetstappen dichterbij komen.
Zijn spieren verkrampten en zijn hart ging zo tekeer dat het ook voor een ander te horen moest zijn. Hij zou ontdekt worden, dat wist hij zeker.
De persoon liep verder, de specifieke klik van een afstandsbediening werd gevolgd door het dichtslaan van een portier en het starten van een auto.
Pfff, dat was goed gegaan. Hij moest hulp vragen, maar hij durfde zich niet bloot te geven zolang hij niet wist waar Kees was. Moest hij dan toch over de rand van het rek gluren? Heel voorzichtig probeerde hij zich op te richten. Nu pas voelde hij goed hoe hard hij tegen de betonnen balustrade was gevallen, zijn nek en linkerarm waren helemaal beurs. Hij duwde zichzelf een eindje omhoog, maar kon zijn eigen gewicht niet met één arm dragen. Hard viel hij terug op de bodem van het bagagerek en kwam met zijn hoofd op iets scherps terecht. Tranen sprongen in zijn ogen, hij vloekte binnensmonds, vast de sluiting van een van de sjorbanden die hij had zien liggen. Hij moest even bijkomen van de inspanning en probeerde opnieuw te verzinnen hoe hij ongemerkt de omgeving zou kunnen verkennen.
Hij proefde het zout van zweet en tranen vermengd met de ijzersmaak van bloed. Met zijn arm veegde hij over zijn gezicht, een grote rode vlek bleef achter op de mouw van zijn jas. Verdomme ook dat nog. Met moeite, zijn schouder weigerde dienst, trok hij een zakdoek uit zijn broekzak en drukte die tegen de zijkant van zijn wenkbrauw. Dit soort wonden kende hij van het hockeyveld, het stelde niet zoveel voor, maar het bloedde als een rund.
Zijn lichaam verkrampte zonder dat hij wist waarom, tot de oorzaak tot zijn bewustzijn doordrong: voetstappen in de verte, met kleine tussenpozen. Kees? Checkte hij alle auto’s? Gerard registreerde hoe zijn bloed door de kier in het rek naar beneden drupte.
Het geluid kwam dichterbij, vijf, zes stappen gevolgd door stilte.
Hij hield zijn adem in. In gedachten zag hij de aanwijzingen in het script voor zich: Kees ontdekt het bloed, voelt eraan en wrijft het nadenkend tussen zijn vingers …., hier werden zijn gedachten abrupt verstoord door geritsel vlak naast zijn hoofd. Hij voelde zijn kruis nat worden.
‘Hé, was soll das,’ riep iemand uit de verte.
Mensen kwamen aanhollen.
‘Verdammt noch mal, der Lump, was soll der bei unserem Camper? Bestimmt ein Junk, der gerade gespritzt hat. Guck mal, alles Blut’.
‘Was denkst du, etwas kaputt,’ vroeg een andere stem.
‘Keine Ahnung,
ich denke wir haben ihn erwischt beim Aufmachen der Wagentür, da kann er
also noch nicht viel angerichtet haben’.
Gerard kon de neiging om rechtop in het bagagerek te gaan zitten nauwelijks onderdrukken. Liggen blijven, ging door hem heen, dit is je redding, je wordt de garage uitgereden.
Toen het busje bij de uitgang stopte en beide Duitsers druk bezig waren te ontdekken hoe ze de slagboom open moesten krijgen, klauterde hij uit het rek, zijn pijn verbijtend.
De goudbruine SUV stond er nog steeds.
Hij maakte zich klein achter de dichtstbijzijnde pilaar, ongeveer daar waar de man over de reling was gegooid. Dit was een plek waar normaal nooit mensen liepen, hier reden alleen auto’s langs. Hij keek de diepte in en zag ver onder zich op het van groen naar paars overgaande licht een silhouet liggen. Het was dus echt zo. Heel even had hij de hoop gehad dat er iets in zijn bier had gezeten dat hem waanbeelden had doen zien.
In zijn ooghoek zag hij Ellen het parkeerdek oplopen. Ook dat nog, het was chaos in zijn hoofd. Wat moest hij doen?
Het VW-busje trok op en reed de garage uit.
Zijn blik viel op een veeg bloed aan de pilaar waar hij net had gestaan. Zijn eigen?
Denk na! Denk logisch na, probeerde hij zichzelf te programmeren. Hij liep langs de slagboom richting buitenlucht in de hoop daar helderder te kunnen denken. Hij moest Ellen bereiken, zeggen dat ze gewoon de garage uit moest rijden en dat hij het later wel zou uitleggen. Of dat ze direct het parkeerdek weer af moest lopen, nog beter. Hij pakte zijn telefoon en zag tegelijkertijd Kees, op zoek naar iets in één van zijn jaszakken, zijn kant uitkomen. Hij rende de steile uitrit op, stak de Spilsluizen over en dook de trap af naar de hoofdingang van de garage om dekking te zoeken. Hij selecteerde Ellens nummer op zijn mobiel en drukte op het groene telefoontje. Neem op, neem op, neem nou op, smeekte hij in stilte. “Dag, dit is de voicemail van…” Kut. Hij drukte 1-1-2 in. Op het moment dat hij verbinding kreeg, draaide een auto met gierende banden de weg op. In het licht van de lantaarns zag hij de SUV met grote snelheid verdwijnen. Langzaam drong het tot hem door.
Hij wreef het bloed uit zijn ogen en draaide zich net op tijd om om de inhoud van zijn maag met half verteerde pinda’s en bitterballen in de gracht te deponeren.
Achter zijn rug hoorde hij de deur van de parkeergarage open schuiven. Terwijl hij zijn laatste angst uitkotste, herkende hij de stem van Ellen.
‘O hier ben je! Verdorie Gerard, heb je nou alweer teveel gedronken? Ik ben er echt een keer flauw van. Weet je,’ liet ze er op volgen, ‘je bekijkt het ook maar, je ziet maar hoe je thuis komt. Misschien wil hij je wel een lift geven,’ ze knikte met haar hoofd richting een goudbruine SUV die aan de andere kant van de verder uitgestorven singel aan kwam rijden.
Gerard kon de neiging om rechtop in het bagagerek te gaan zitten nauwelijks onderdrukken. Liggen blijven, ging door hem heen, dit is je redding, je wordt de garage uitgereden.
Toen het busje bij de uitgang stopte en beide Duitsers druk bezig waren te ontdekken hoe ze de slagboom open moesten krijgen, klauterde hij uit het rek, zijn pijn verbijtend.
De goudbruine SUV stond er nog steeds.
Hij maakte zich klein achter de dichtstbijzijnde pilaar, ongeveer daar waar de man over de reling was gegooid. Dit was een plek waar normaal nooit mensen liepen, hier reden alleen auto’s langs. Hij keek de diepte in en zag ver onder zich op het van groen naar paars overgaande licht een silhouet liggen. Het was dus echt zo. Heel even had hij de hoop gehad dat er iets in zijn bier had gezeten dat hem waanbeelden had doen zien.
In zijn ooghoek zag hij Ellen het parkeerdek oplopen. Ook dat nog, het was chaos in zijn hoofd. Wat moest hij doen?
Het VW-busje trok op en reed de garage uit.
Zijn blik viel op een veeg bloed aan de pilaar waar hij net had gestaan. Zijn eigen?
Denk na! Denk logisch na, probeerde hij zichzelf te programmeren. Hij liep langs de slagboom richting buitenlucht in de hoop daar helderder te kunnen denken. Hij moest Ellen bereiken, zeggen dat ze gewoon de garage uit moest rijden en dat hij het later wel zou uitleggen. Of dat ze direct het parkeerdek weer af moest lopen, nog beter. Hij pakte zijn telefoon en zag tegelijkertijd Kees, op zoek naar iets in één van zijn jaszakken, zijn kant uitkomen. Hij rende de steile uitrit op, stak de Spilsluizen over en dook de trap af naar de hoofdingang van de garage om dekking te zoeken. Hij selecteerde Ellens nummer op zijn mobiel en drukte op het groene telefoontje. Neem op, neem op, neem nou op, smeekte hij in stilte. “Dag, dit is de voicemail van…” Kut. Hij drukte 1-1-2 in. Op het moment dat hij verbinding kreeg, draaide een auto met gierende banden de weg op. In het licht van de lantaarns zag hij de SUV met grote snelheid verdwijnen. Langzaam drong het tot hem door.
Hij wreef het bloed uit zijn ogen en draaide zich net op tijd om om de inhoud van zijn maag met half verteerde pinda’s en bitterballen in de gracht te deponeren.
Achter zijn rug hoorde hij de deur van de parkeergarage open schuiven. Terwijl hij zijn laatste angst uitkotste, herkende hij de stem van Ellen.
‘O hier ben je! Verdorie Gerard, heb je nou alweer teveel gedronken? Ik ben er echt een keer flauw van. Weet je,’ liet ze er op volgen, ‘je bekijkt het ook maar, je ziet maar hoe je thuis komt. Misschien wil hij je wel een lift geven,’ ze knikte met haar hoofd richting een goudbruine SUV die aan de andere kant van de verder uitgestorven singel aan kwam rijden.
vrijdag 17 februari 2012
In staat om te doden
door Agmar van Rijn
In Loppersum stapt ze in. Een smalle vrouw in een groenwollen
jas, met een vilten hoedje op. De vrouw kijkt even om zich heen en beent dan
kordaat naar een zitplaats.
‘Goedemorgen. Hier is nog wel een plekje voor mij, hè?’
Met een bijna samenzweerderige glimlach gaat ze tegenover Fien zitten. De hele wagon nog leeg, maar natuurlijk moet ze juist hier gaan zitten. Fien reist met opzet meestal pas met de trein van half tien naar haar werk, zodat ze niet bil aan bil hoeft te zitten met wildvreemde mensen, en geen obligate gesprekken hoeft te voeren met halve kennissen. Stijfjes knikt ze naar de oudere vrouw, en kijkt weer in haar pocket.
‘Ben jij niet de dochter van dokter Laarman uit Appingedam? Wat leuk, ik ken je moeder van de Wereldwinkel. We zijn daar allebei vrijwilliger.’
Fien onderdrukt met moeite een zucht. Toch maar beleefd blijven.
‘Ja, ik dacht al dat ik u herkende, u bent toch mevrouw De Vrij? U woont in Loppersum?’
Het gezicht van de dame licht op.
‘Ja! Wat goed van je! Ik ben Maartje de Vrij. Kind, wat zal je moeder trots op jou zijn, zo’n grote dochter.’
Voldaan en opgewekt kijkt mevrouw de Vrij naar Fien. Onmogelijk om nu nog terug te keren naar haar boek, terwijl het net zo spannend is.
‘Wat lees je?’ Maartje de Vrij werpt een blik op Fiens kaft.
‘Minette Walters! Wat toevallig, ik heb álles van haar gelezen! Oh, die is heel goed, De Beeldhouwster. Ik vind dat zo knap, hoe zo’n schrijfster speelt met de verwachtingen die we hebben van moordenaars.’
Fien herinnert zich flarden van verhalen van haar moeder. Omdat Maartje de Vrij met haar moeder samenwerkte in de Wereldwinkel vond ze het kennelijk voor de hand liggen om nu en dan langs te wippen voor een kopje thee, en ze liet dan nooit na een nieuwsgierige gang door de dokterswoning te maken. Fiens moeder hoefde maar even een kopje thee te gaan zetten of Maartje wandelde alweer via de hal een slaapkamer binnen. Normaal gesproken is Fiens moeder erg gastvrij, maar ze had bij een zoveelste onaangekondigd bezoek botweg gezegd dat het niet zo goed paste. Het gesprek dus maar neutraal houden, je moet je door zulke mensen vooral nooit laten uithoren over je privéleven.
Fien kijkt in het ronde gezicht van mevrouw de Vrij. Haar grijzende haren zijn weggestopt onder de hoed, maar een paar springen er eigenwijs onderuit. Plots schiet haar een kinderliedje te binnen, ‘vol verwachting klopt mijn hart…’ Het is een beetje sneu om het gesprek met haar reisgenote echt af te kappen. Ze kan gerust wat babbelen over het boek, een theoretische discussie voeren, zonder dat ze het achterste van haar tong laat zien over haar eigen besognes.
‘De verwachtingen die we hebben van moordenaars, daar zegt u me wat! Dat is een heel goed thema voor een schrijver, want heeft u er wel eens eentje gezien? Wat denkt u, hoe zou een moordenaar eruit zien? Zie je aan iemand dat hij slecht is, of hij in staat is om te doden? We denken natuurlijk allemaal dat we nog nooit een moordenaar hebben ontmoet, maar ze moeten er toch zijn, nietwaar?’
Maartje de Vrij legde haar platte hand op haar hals en slaakte een hoge giechel.
‘Mijn hémel meid, daar zeg je me wat! Misschien zijn ze wel onder ons!’
Maartje de Vrij trekt haar handtas wat meer naar zich toe op haar schoot. Een rimpel is in het voorhoofd van de oudere vrouw verschenen. Fien moet eigenlijk wat lachen om deze theatrale reactie. Ze doet haar boek dicht. Ze kijkt naar buiten, station Stedum, en besluit de vrouw niet te plagen.
‘Ach mevrouw de Vrij, er moeten dan natuurlijk ook vermoorde mensen zijn. We kunnen wel zwaar op onze hoede zijn, en speurend om ons heen gaan kijken, maar zolang u en ik allebei niemand kennen die werkelijk door een misdrijf om het leven is gekomen, is er helemaal niets aan de hand.’
‘Nee, dat is zo natuurlijk. Maar je moet niet vergeten dat ik wat meer levenservaring heb dan jij, Fiep.’
‘Fien is het. Fien.’
‘Oh ja, dat is ook zo. Nou, Fientje, ik heb weleens zoiets meegemaakt hoor, zoiets dat je een eh… verdacht sterfgeval zou kunnen noemen.’
Knikkend, ineens met ernstige blik, kijkt mevrouw de Vrij uit het raam. Het is moeilijk iemand serieus te nemen die met een geruit vilten hoedje reist, en die het ene melodramatische gebaar aan de andere boude opvatting rijgt. Mevrouw de Vrij zorgt voor kriebel, op een onbepaalde plek, waar ongeloof en nieuwsgierigheid om voorrang strijden.
Je kunt haar bijna niet serieus nemen, maar toch hoort ze zichzelf alweer doorvragen.
‘Oh ja? Iets dat u hebt gehoord, of heeft u het zelf gezien? En, hoe zag de moordenaar er dan uit, mevrouw De Vrij?’
‘Nou dat ís het nu juist! Ze hebben er nooit iemand voor gepakt! En zo was het niet, het is niet zomaar een kletsverhaaltje dat ik van de kapster heb gehoord, nee, ik was erbij, Pien!’
Fien zucht even. Ze blikt naar buiten, een aantal huizen staan zonder verband in weilanden, een paar koeien staan roerloos in het grauw. De curieuze dame tegenover haar is er heel goed in geslaagd het gesprek, bedoeld als een oppervlakkige gedachtenwisseling, te laten ontsporen in de richting van persoonlijke ontboezemingen. Waarschijnlijk is het de beste strategie om haar over haarzelf te laten praten, zonder iets over jezelf los te laten. Bij sommige mensen is dat alsof je een ventiel opendraait, en bij haar zal het wel niet anders zijn.
‘U was erbij! Nu maakt u me nieuwsgierig. We zijn nog niet eens in Bedum, dus vertelt u eens.’
‘Het is natuurlijk jaren geleden… Ik denk dat jij net een tiener geweest zult zijn. Het was in de winter, de winter van… 1988. We hadden toen een notaris in het dorp. Paul Harinxma.’
Maartje de Vrij kijkt nu naar buiten, naar de slagregens die tegen het treinraam slaan. Haar stem wordt wat zachter.
‘Het was niet een uitgesproken knappe man, hij had een nogal grote neus en heel dun haar,’
Weer giechelt ze even, maar het geluid is niet meer dan een hikje.
‘Maar hij was heel mannelijk en lang, en zo ontzettend charmant. Had mooie ogen, en een heel aandachtige manier van doen. Hoffelijk, dat is misschien het goede woord. Hij nam de tijd voor iedereen. Dus hij was halverwege de jaren tachtig in het dorp komen wonen, maar hij had binnen de kortste keren een heleboel vrienden en kennissen.’
‘Hm-mm.’ Fien humt aanmoedigend, nu wil ze het hele verhaal ook horen.
‘Hij begon kleine dinertjes te organiseren bij hem thuis. Hij woonde in dat grote Amsterdamse Schoolhuis in de Kerkstraat, weetjewel?’
‘Oh ja, De Kastanje.’
‘Ja, De Kastanje. Hij begon eerst zijn buren te inviteren, en later ook wat heren van de gemeenteraad met hun vrouwen. En je snapt, daar werd over gepraat in het dorp. Mensen zijn tóch nieuwsgierig, daar doe je niks aan.’
‘Nee, raar maar waar!’ Fien probeert er onschuldig bij te kijken.
‘Ik zat destijds in de vrouwenvereniging en ik ben ook een tijdje voorzitster geweest. Dus op den duur…’
De trein stopt, station Bedum. Mensen stappen in.
‘Maar mevrouw de Vrij, was er dan ook een mevrouw Harinxma? Of kookte hij dan zelf voor al die gasten?’
‘Dáár zeg je me wat! Hij werkte met cateraars, nee, hij was niet getrouwd, hij had geen relatie. Toen nog niet. Maar het was een heel aantrekkelijke man, en al snel ontstond er wat … reuring rondom die eetpartijtjes. De dames begonnen zelfgemaakte lekkernijen mee te nemen, en het werd een competitie of je was uitgenodigd of niet. En bovendien, eerst was het alleen tafelen, maar na verloop van tijd werd er na afloop gedanst. Dat huis is natuurlijk enorm, en hij had een grote, prachtig ingerichte bibliotheek. Net een balzaal. Lekker eten, veel goede wijn, een paar cognacjes en dan de dansvloer op. De vrouwen gingen zich ernaar kleden, ze trokken nauwsluitende jurken aan, décolletés….’
De oudere vrouw heeft nu een lichte blos op haar scherpe jukbeenderen.
‘Het was steeds minder gewoon gezellig, ik weet niet hoe ik het precies moet uitleggen. Er hing een zinnelijke sfeer, die ging om proeven, kijken, bewegen, voelen misschien… Ik herinner me een schaal bloedrode, bijna overrijpe kersen die op een avond op tafel stond. En hoe één van de vrouwen zo’n kers heel voorzichtig met haar tanden van een takje trok, dat er per ongeluk niet af was gehaald. En hoe ze het even vasthield tussen haar glimmend gestifte lippen, en… ’
‘U bedoelt… men kwam een beetje los, zegmaar?’ Fien schuift voorzichtig het bandje van haar BH terug over haar schouder. Eigenaardig dat die breinaalddunne vrouw, gehuld in wol en vilt, zo smakelijk kan vertellen over losbandigheid, dat je onwillekeurig terug denkt aan wilde avonden in de kroeg, en wat daarna kwam…
Maartje de Vrij kijkt haar weer aan, en knikt nadrukkelijk. Meer haren schieten los van onder het hoedje, en Fien stelt zich voor dat haar reisgenote ooit misschien een volle bos blond haar had, dat om haar volmaakt ronde poppengezichtje danste.
‘Nou en of! Wil en Ingrid de Haas gingen als eerste uit elkaar, zij was vreemd gegaan met de burgemeester. Dat was Menninga, je weet wel, van de PvdA. Zijn eigen huwelijk redde het wel, trouwens. Nou, en zo ging dat door. En men zei over Paul dat hij ook veel dames versleet, als je er een beetje appetijtelijk uitzag ging hij met je naar bed, getrouwd of ongetrouwd, daar deed hij niet zo moeilijk over…’
‘Goh!’ Fien probeert er zich een voorstelling van te maken, van die mensen van haar ouders’ generatie, gesetteld, opgaand in het leven met een muurvast patroon van alledaagsheid en burgerlijkheid, en dan met gespannen verwachting naar de besloten feestjes van de aantrekkelijke notaris gaan, partijtjes met een sfeer zwaar beladen van seksuele spanning, ontsnapping en avontuur.
‘Maar Paul Harinxma was toch geen moordenaar?’ Fien flapt het eruit, helemaal op dreef door het beeld van de romantische man, zich vergrijpend aan vrouwen, en dan in wilde passie één stap te ver gaan…
‘Nee joh!’ Mevrouw de Vrij snauwt nu bijna, alsof Fien niet helemaal goed heeft opgelet.
‘Hij wérd immers vermoord! Tijdens een van zijn eigen feestjes!’
‘Wat? Hoe dan?’
‘Sauwerd, station Sauwerd’, meldt de beschaafde vrouwenstem door de intercom. Fien duwt haar rug weer tegen de zitting, probeert wat minder sensatiebelust over te komen. Stel je voor dat mevrouw de Vrij straks uitstapt zonder de clou te vertellen. De trein zet zich weer in beweging. Mevrouw de Vrij klopt wat denkbeeldige stofjes van de mouw van haar jas, en duwt de losgebroken haren onder haar hoedje.
‘Het was echt een bijzondere man. Je voelde je speciaal als hij bij je was…’
Op mijmerende toon vertelt ze verder: ‘Hij had hele zachte handen. Hele lange armen. En hij kon je aan het lachen maken, je vleien ook. Hij hield zijn hoofd altijd wat scheef, daardoor leek hij ontzettend in je geïnteresseerd. En hij had hele grote voeten. Ja, dat heeft Frederik wel van hem…’
‘Mevrouw de Vrij?’
Ze lijkt een beetje te schrikken van Fiens stem.
‘Ja? Oh ja, hoe hij vermoord werd! Hij is vergiftigd.’ Het klinkt als een droge vaststelling.
‘Vergiftigd?’
‘Ja. Ik was er ook bij die avond, moet je weten! Het was heel akelig, we zaten allemaal aan tafel, en hij leek zich eerst te verslikken, maar niets hielp, hij werd steeds benauwder, liep blauw aan…Hij kreeg gewoon geen lucht meer, en toen was het zomaar afgelopen.’
Ze staart naar haar gevouwen handen op de wollen jas.
‘Hij kreeg geen lucht meer? Hoe kan dat nou?’
‘Ja, dat weet ik niet precies. Je hoort weleens van allergische reacties die de luchtpijp zo doen opzwellen dat je geen adem kunt halen, en er werd toen vanzelfsprekend volop gespeculeerd. Ik ben natuurlijk geen medicus.’
Ze wuift wat vaag met haar hand. Er valt een stilte. Fien gaat verzitten. Dit is geen kort verhaal waar dan aan het einde een verrassende ontknoping volgt. Het is een gesprek zonder de beloning van onthulling. Nu ze mevrouw de Vrij zo heeft uitgehoord kan ze het niet maken haar teleurstelling te laten blijken. Alhoewel voorzichtig navragen natuurlijk geen kwaad kan.
‘Het moet voor u wel heel naar zijn geweest. Afschuwelijk om er getuige van te zijn. En begrijp ik u goed dat er nooit een dader is opgespoord?’
Mevrouw de Vrij zucht diep, en wrijft over haar voorhoofd.
‘Ach meid, natuurlijk was het naar. Echt een drama. Het was namelijk ook het eerste etentje waar hij zijn verloofde presenteerde, hij zou gaan trouwen met een heel mooi meisje uit het dorp, Antje Vogelaar, de dochter van de eigenaar van de koekjesfabriek. Ze was eenentwintig, hij zesendertig, dus hij was flink wat ouder. Enfin, hij had iets gegeten waar het in moet hebben gezeten, maar naderhand werd dat gerecht natuurlijk nooit gevonden.’
‘Hoe kan dat nou?’
‘Nou, zoals ik al vertelde namen de vrouwen allerlei lekkers mee. Hij nam op den duur niets meer af bij de cateraar, want ze overstelpten hem met gebak, pasteien, soepen, gevulde eieren, ovenschotels… het kan overál wel in gezeten hebben.’
‘Maar… dan is het gek dat niemand anders is overleden, toch?’
Fien kan er niets aan doen, ze zit weer helemaal voorover gebogen.
‘Ja, dat is zo, maar de politie zei destijds dat een slim iemand… een slim iemand heeft bijvoorbeeld een bonbon kunnen injecteren met vergif, en die naast zijn koffiekopje kunnen neerzetten. Of ze heeft speciaal voor hem nog wat aspergesoep opgeschept, en heeft het vergif in zijn soepbord gegoten. Bijna alle vrouwen bemoeiden zich met het eten, en soms de mannen ook, dus iedereen was verdacht.’
Haar handen wringen.
‘Waarom dan, wat kan het motief geweest zijn? U was erbij, u heeft daar vast uw gedachten over!’
‘Het kan van alles geweest zijn. Een zakelijk conflict. Een jaloerse echtgenoot, die het niet meer aankon. Of natuurlijk… een vrouw, die dacht dat zij de enige was, de ware, totdat dat meisje Vogelaar op het toneel verscheen. Of wellicht zelfs een schandaal zoals een zwangerschap. In elk geval heeft de politie nooit iets kunnen bewijzen, er is nooit iemand gearresteerd.’
‘Maar… wat was het dan voor vergif?’
‘Cactusmelk. In zijn lichaam vonden ze een sterke concentratie, van een heel giftige, inheemse plant, heb ik later gehoord.’
Fien leunt verbaasd achterover. Ze heeft niet eens gemerkt dat de trein weer is gestopt. Station Noord. Iemand komt bij hen zitten.
‘Hallo, mevrouw de Vrij, hoe gaat het met u?’ Hij steekt, voorovergebogen, zijn hand uit en schudt de kleine hand van de vrouw die ineens zwijgt.
‘Hoi Fien, het lukt wel denk ik, als ik het laatste stukje van de reis even naast jou schuif?’
‘Ja natuurlijk Peter. Hoe is het?’
Het komt er wat onnozel uit, ze heeft Peter, bij wie ze op de middelbare school in de klas heeft gezeten, jaren niet gezien. Juist nu, na het eigenaardige verhaal van mevrouw de Vrij, die hij blijkbaar ook kent, zit hij zomaar naast haar. Ooit op een schoolfeest heeft ze met hem staan zoenen, ze voelt warmte op haar wangen omhoog trekken.
‘Gaat goed. Lekker aan de studie, en ik heb een kamer vlakbij het centrum.’
Vriendelijk kijkt hij naar mevrouw de Vrij.
‘En hoe gaat het met Frederik? Is hij al aan de studie?’
Maartje de Vrij lijkt plots wat timide.
‘Jahoor, Peter, hij is drieëntwintig, hij is vierdejaars.’
'Juist. Tja, buurjongens worden groot! Wat studeert hij ook alweer?’
‘Biologie. Hij doet biologie. Plantkunde vooral. Hij is dol op botanica… net als ik.’
‘Groningen. Eindpunt van deze trein.’
‘Goedemorgen. Hier is nog wel een plekje voor mij, hè?’
Met een bijna samenzweerderige glimlach gaat ze tegenover Fien zitten. De hele wagon nog leeg, maar natuurlijk moet ze juist hier gaan zitten. Fien reist met opzet meestal pas met de trein van half tien naar haar werk, zodat ze niet bil aan bil hoeft te zitten met wildvreemde mensen, en geen obligate gesprekken hoeft te voeren met halve kennissen. Stijfjes knikt ze naar de oudere vrouw, en kijkt weer in haar pocket.
‘Ben jij niet de dochter van dokter Laarman uit Appingedam? Wat leuk, ik ken je moeder van de Wereldwinkel. We zijn daar allebei vrijwilliger.’
Fien onderdrukt met moeite een zucht. Toch maar beleefd blijven.
‘Ja, ik dacht al dat ik u herkende, u bent toch mevrouw De Vrij? U woont in Loppersum?’
Het gezicht van de dame licht op.
‘Ja! Wat goed van je! Ik ben Maartje de Vrij. Kind, wat zal je moeder trots op jou zijn, zo’n grote dochter.’
Voldaan en opgewekt kijkt mevrouw de Vrij naar Fien. Onmogelijk om nu nog terug te keren naar haar boek, terwijl het net zo spannend is.
‘Wat lees je?’ Maartje de Vrij werpt een blik op Fiens kaft.
‘Minette Walters! Wat toevallig, ik heb álles van haar gelezen! Oh, die is heel goed, De Beeldhouwster. Ik vind dat zo knap, hoe zo’n schrijfster speelt met de verwachtingen die we hebben van moordenaars.’
Fien herinnert zich flarden van verhalen van haar moeder. Omdat Maartje de Vrij met haar moeder samenwerkte in de Wereldwinkel vond ze het kennelijk voor de hand liggen om nu en dan langs te wippen voor een kopje thee, en ze liet dan nooit na een nieuwsgierige gang door de dokterswoning te maken. Fiens moeder hoefde maar even een kopje thee te gaan zetten of Maartje wandelde alweer via de hal een slaapkamer binnen. Normaal gesproken is Fiens moeder erg gastvrij, maar ze had bij een zoveelste onaangekondigd bezoek botweg gezegd dat het niet zo goed paste. Het gesprek dus maar neutraal houden, je moet je door zulke mensen vooral nooit laten uithoren over je privéleven.
Fien kijkt in het ronde gezicht van mevrouw de Vrij. Haar grijzende haren zijn weggestopt onder de hoed, maar een paar springen er eigenwijs onderuit. Plots schiet haar een kinderliedje te binnen, ‘vol verwachting klopt mijn hart…’ Het is een beetje sneu om het gesprek met haar reisgenote echt af te kappen. Ze kan gerust wat babbelen over het boek, een theoretische discussie voeren, zonder dat ze het achterste van haar tong laat zien over haar eigen besognes.
‘De verwachtingen die we hebben van moordenaars, daar zegt u me wat! Dat is een heel goed thema voor een schrijver, want heeft u er wel eens eentje gezien? Wat denkt u, hoe zou een moordenaar eruit zien? Zie je aan iemand dat hij slecht is, of hij in staat is om te doden? We denken natuurlijk allemaal dat we nog nooit een moordenaar hebben ontmoet, maar ze moeten er toch zijn, nietwaar?’
Maartje de Vrij legde haar platte hand op haar hals en slaakte een hoge giechel.
‘Mijn hémel meid, daar zeg je me wat! Misschien zijn ze wel onder ons!’
Maartje de Vrij trekt haar handtas wat meer naar zich toe op haar schoot. Een rimpel is in het voorhoofd van de oudere vrouw verschenen. Fien moet eigenlijk wat lachen om deze theatrale reactie. Ze doet haar boek dicht. Ze kijkt naar buiten, station Stedum, en besluit de vrouw niet te plagen.
‘Ach mevrouw de Vrij, er moeten dan natuurlijk ook vermoorde mensen zijn. We kunnen wel zwaar op onze hoede zijn, en speurend om ons heen gaan kijken, maar zolang u en ik allebei niemand kennen die werkelijk door een misdrijf om het leven is gekomen, is er helemaal niets aan de hand.’
‘Nee, dat is zo natuurlijk. Maar je moet niet vergeten dat ik wat meer levenservaring heb dan jij, Fiep.’
‘Fien is het. Fien.’
‘Oh ja, dat is ook zo. Nou, Fientje, ik heb weleens zoiets meegemaakt hoor, zoiets dat je een eh… verdacht sterfgeval zou kunnen noemen.’
Knikkend, ineens met ernstige blik, kijkt mevrouw de Vrij uit het raam. Het is moeilijk iemand serieus te nemen die met een geruit vilten hoedje reist, en die het ene melodramatische gebaar aan de andere boude opvatting rijgt. Mevrouw de Vrij zorgt voor kriebel, op een onbepaalde plek, waar ongeloof en nieuwsgierigheid om voorrang strijden.
Je kunt haar bijna niet serieus nemen, maar toch hoort ze zichzelf alweer doorvragen.
‘Oh ja? Iets dat u hebt gehoord, of heeft u het zelf gezien? En, hoe zag de moordenaar er dan uit, mevrouw De Vrij?’
‘Nou dat ís het nu juist! Ze hebben er nooit iemand voor gepakt! En zo was het niet, het is niet zomaar een kletsverhaaltje dat ik van de kapster heb gehoord, nee, ik was erbij, Pien!’
Fien zucht even. Ze blikt naar buiten, een aantal huizen staan zonder verband in weilanden, een paar koeien staan roerloos in het grauw. De curieuze dame tegenover haar is er heel goed in geslaagd het gesprek, bedoeld als een oppervlakkige gedachtenwisseling, te laten ontsporen in de richting van persoonlijke ontboezemingen. Waarschijnlijk is het de beste strategie om haar over haarzelf te laten praten, zonder iets over jezelf los te laten. Bij sommige mensen is dat alsof je een ventiel opendraait, en bij haar zal het wel niet anders zijn.
‘U was erbij! Nu maakt u me nieuwsgierig. We zijn nog niet eens in Bedum, dus vertelt u eens.’
‘Het is natuurlijk jaren geleden… Ik denk dat jij net een tiener geweest zult zijn. Het was in de winter, de winter van… 1988. We hadden toen een notaris in het dorp. Paul Harinxma.’
Maartje de Vrij kijkt nu naar buiten, naar de slagregens die tegen het treinraam slaan. Haar stem wordt wat zachter.
‘Het was niet een uitgesproken knappe man, hij had een nogal grote neus en heel dun haar,’
Weer giechelt ze even, maar het geluid is niet meer dan een hikje.
‘Maar hij was heel mannelijk en lang, en zo ontzettend charmant. Had mooie ogen, en een heel aandachtige manier van doen. Hoffelijk, dat is misschien het goede woord. Hij nam de tijd voor iedereen. Dus hij was halverwege de jaren tachtig in het dorp komen wonen, maar hij had binnen de kortste keren een heleboel vrienden en kennissen.’
‘Hm-mm.’ Fien humt aanmoedigend, nu wil ze het hele verhaal ook horen.
‘Hij begon kleine dinertjes te organiseren bij hem thuis. Hij woonde in dat grote Amsterdamse Schoolhuis in de Kerkstraat, weetjewel?’
‘Oh ja, De Kastanje.’
‘Ja, De Kastanje. Hij begon eerst zijn buren te inviteren, en later ook wat heren van de gemeenteraad met hun vrouwen. En je snapt, daar werd over gepraat in het dorp. Mensen zijn tóch nieuwsgierig, daar doe je niks aan.’
‘Nee, raar maar waar!’ Fien probeert er onschuldig bij te kijken.
‘Ik zat destijds in de vrouwenvereniging en ik ben ook een tijdje voorzitster geweest. Dus op den duur…’
De trein stopt, station Bedum. Mensen stappen in.
‘Maar mevrouw de Vrij, was er dan ook een mevrouw Harinxma? Of kookte hij dan zelf voor al die gasten?’
‘Dáár zeg je me wat! Hij werkte met cateraars, nee, hij was niet getrouwd, hij had geen relatie. Toen nog niet. Maar het was een heel aantrekkelijke man, en al snel ontstond er wat … reuring rondom die eetpartijtjes. De dames begonnen zelfgemaakte lekkernijen mee te nemen, en het werd een competitie of je was uitgenodigd of niet. En bovendien, eerst was het alleen tafelen, maar na verloop van tijd werd er na afloop gedanst. Dat huis is natuurlijk enorm, en hij had een grote, prachtig ingerichte bibliotheek. Net een balzaal. Lekker eten, veel goede wijn, een paar cognacjes en dan de dansvloer op. De vrouwen gingen zich ernaar kleden, ze trokken nauwsluitende jurken aan, décolletés….’
De oudere vrouw heeft nu een lichte blos op haar scherpe jukbeenderen.
‘Het was steeds minder gewoon gezellig, ik weet niet hoe ik het precies moet uitleggen. Er hing een zinnelijke sfeer, die ging om proeven, kijken, bewegen, voelen misschien… Ik herinner me een schaal bloedrode, bijna overrijpe kersen die op een avond op tafel stond. En hoe één van de vrouwen zo’n kers heel voorzichtig met haar tanden van een takje trok, dat er per ongeluk niet af was gehaald. En hoe ze het even vasthield tussen haar glimmend gestifte lippen, en… ’
‘U bedoelt… men kwam een beetje los, zegmaar?’ Fien schuift voorzichtig het bandje van haar BH terug over haar schouder. Eigenaardig dat die breinaalddunne vrouw, gehuld in wol en vilt, zo smakelijk kan vertellen over losbandigheid, dat je onwillekeurig terug denkt aan wilde avonden in de kroeg, en wat daarna kwam…
Maartje de Vrij kijkt haar weer aan, en knikt nadrukkelijk. Meer haren schieten los van onder het hoedje, en Fien stelt zich voor dat haar reisgenote ooit misschien een volle bos blond haar had, dat om haar volmaakt ronde poppengezichtje danste.
‘Nou en of! Wil en Ingrid de Haas gingen als eerste uit elkaar, zij was vreemd gegaan met de burgemeester. Dat was Menninga, je weet wel, van de PvdA. Zijn eigen huwelijk redde het wel, trouwens. Nou, en zo ging dat door. En men zei over Paul dat hij ook veel dames versleet, als je er een beetje appetijtelijk uitzag ging hij met je naar bed, getrouwd of ongetrouwd, daar deed hij niet zo moeilijk over…’
‘Goh!’ Fien probeert er zich een voorstelling van te maken, van die mensen van haar ouders’ generatie, gesetteld, opgaand in het leven met een muurvast patroon van alledaagsheid en burgerlijkheid, en dan met gespannen verwachting naar de besloten feestjes van de aantrekkelijke notaris gaan, partijtjes met een sfeer zwaar beladen van seksuele spanning, ontsnapping en avontuur.
‘Maar Paul Harinxma was toch geen moordenaar?’ Fien flapt het eruit, helemaal op dreef door het beeld van de romantische man, zich vergrijpend aan vrouwen, en dan in wilde passie één stap te ver gaan…
‘Nee joh!’ Mevrouw de Vrij snauwt nu bijna, alsof Fien niet helemaal goed heeft opgelet.
‘Hij wérd immers vermoord! Tijdens een van zijn eigen feestjes!’
‘Wat? Hoe dan?’
‘Sauwerd, station Sauwerd’, meldt de beschaafde vrouwenstem door de intercom. Fien duwt haar rug weer tegen de zitting, probeert wat minder sensatiebelust over te komen. Stel je voor dat mevrouw de Vrij straks uitstapt zonder de clou te vertellen. De trein zet zich weer in beweging. Mevrouw de Vrij klopt wat denkbeeldige stofjes van de mouw van haar jas, en duwt de losgebroken haren onder haar hoedje.
‘Het was echt een bijzondere man. Je voelde je speciaal als hij bij je was…’
Op mijmerende toon vertelt ze verder: ‘Hij had hele zachte handen. Hele lange armen. En hij kon je aan het lachen maken, je vleien ook. Hij hield zijn hoofd altijd wat scheef, daardoor leek hij ontzettend in je geïnteresseerd. En hij had hele grote voeten. Ja, dat heeft Frederik wel van hem…’
‘Mevrouw de Vrij?’
Ze lijkt een beetje te schrikken van Fiens stem.
‘Ja? Oh ja, hoe hij vermoord werd! Hij is vergiftigd.’ Het klinkt als een droge vaststelling.
‘Vergiftigd?’
‘Ja. Ik was er ook bij die avond, moet je weten! Het was heel akelig, we zaten allemaal aan tafel, en hij leek zich eerst te verslikken, maar niets hielp, hij werd steeds benauwder, liep blauw aan…Hij kreeg gewoon geen lucht meer, en toen was het zomaar afgelopen.’
Ze staart naar haar gevouwen handen op de wollen jas.
‘Hij kreeg geen lucht meer? Hoe kan dat nou?’
‘Ja, dat weet ik niet precies. Je hoort weleens van allergische reacties die de luchtpijp zo doen opzwellen dat je geen adem kunt halen, en er werd toen vanzelfsprekend volop gespeculeerd. Ik ben natuurlijk geen medicus.’
Ze wuift wat vaag met haar hand. Er valt een stilte. Fien gaat verzitten. Dit is geen kort verhaal waar dan aan het einde een verrassende ontknoping volgt. Het is een gesprek zonder de beloning van onthulling. Nu ze mevrouw de Vrij zo heeft uitgehoord kan ze het niet maken haar teleurstelling te laten blijken. Alhoewel voorzichtig navragen natuurlijk geen kwaad kan.
‘Het moet voor u wel heel naar zijn geweest. Afschuwelijk om er getuige van te zijn. En begrijp ik u goed dat er nooit een dader is opgespoord?’
Mevrouw de Vrij zucht diep, en wrijft over haar voorhoofd.
‘Ach meid, natuurlijk was het naar. Echt een drama. Het was namelijk ook het eerste etentje waar hij zijn verloofde presenteerde, hij zou gaan trouwen met een heel mooi meisje uit het dorp, Antje Vogelaar, de dochter van de eigenaar van de koekjesfabriek. Ze was eenentwintig, hij zesendertig, dus hij was flink wat ouder. Enfin, hij had iets gegeten waar het in moet hebben gezeten, maar naderhand werd dat gerecht natuurlijk nooit gevonden.’
‘Hoe kan dat nou?’
‘Nou, zoals ik al vertelde namen de vrouwen allerlei lekkers mee. Hij nam op den duur niets meer af bij de cateraar, want ze overstelpten hem met gebak, pasteien, soepen, gevulde eieren, ovenschotels… het kan overál wel in gezeten hebben.’
‘Maar… dan is het gek dat niemand anders is overleden, toch?’
Fien kan er niets aan doen, ze zit weer helemaal voorover gebogen.
‘Ja, dat is zo, maar de politie zei destijds dat een slim iemand… een slim iemand heeft bijvoorbeeld een bonbon kunnen injecteren met vergif, en die naast zijn koffiekopje kunnen neerzetten. Of ze heeft speciaal voor hem nog wat aspergesoep opgeschept, en heeft het vergif in zijn soepbord gegoten. Bijna alle vrouwen bemoeiden zich met het eten, en soms de mannen ook, dus iedereen was verdacht.’
Haar handen wringen.
‘Waarom dan, wat kan het motief geweest zijn? U was erbij, u heeft daar vast uw gedachten over!’
‘Het kan van alles geweest zijn. Een zakelijk conflict. Een jaloerse echtgenoot, die het niet meer aankon. Of natuurlijk… een vrouw, die dacht dat zij de enige was, de ware, totdat dat meisje Vogelaar op het toneel verscheen. Of wellicht zelfs een schandaal zoals een zwangerschap. In elk geval heeft de politie nooit iets kunnen bewijzen, er is nooit iemand gearresteerd.’
‘Maar… wat was het dan voor vergif?’
‘Cactusmelk. In zijn lichaam vonden ze een sterke concentratie, van een heel giftige, inheemse plant, heb ik later gehoord.’
Fien leunt verbaasd achterover. Ze heeft niet eens gemerkt dat de trein weer is gestopt. Station Noord. Iemand komt bij hen zitten.
‘Hallo, mevrouw de Vrij, hoe gaat het met u?’ Hij steekt, voorovergebogen, zijn hand uit en schudt de kleine hand van de vrouw die ineens zwijgt.
‘Hoi Fien, het lukt wel denk ik, als ik het laatste stukje van de reis even naast jou schuif?’
‘Ja natuurlijk Peter. Hoe is het?’
Het komt er wat onnozel uit, ze heeft Peter, bij wie ze op de middelbare school in de klas heeft gezeten, jaren niet gezien. Juist nu, na het eigenaardige verhaal van mevrouw de Vrij, die hij blijkbaar ook kent, zit hij zomaar naast haar. Ooit op een schoolfeest heeft ze met hem staan zoenen, ze voelt warmte op haar wangen omhoog trekken.
‘Gaat goed. Lekker aan de studie, en ik heb een kamer vlakbij het centrum.’
Vriendelijk kijkt hij naar mevrouw de Vrij.
‘En hoe gaat het met Frederik? Is hij al aan de studie?’
Maartje de Vrij lijkt plots wat timide.
‘Jahoor, Peter, hij is drieëntwintig, hij is vierdejaars.’
'Juist. Tja, buurjongens worden groot! Wat studeert hij ook alweer?’
‘Biologie. Hij doet biologie. Plantkunde vooral. Hij is dol op botanica… net als ik.’
‘Groningen. Eindpunt van deze trein.’
woensdag 1 februari 2012
Mailinterview met Herman Sandman
Vijf vragen aan Herman Sandman
Wat is een schrijver?
Herman Sandman: een schrijver is iemand die het schrijven niet kan laten.
Welke schrijvers moet een beginnend schrijver volgens jou lezen?
Herman Sandman denkt dat elke beginnende schrijver Ernest Hemingway moet lezen. En John Irving. En Lydia Davis. En Godfried Bomans. En…
Waar en wanneer schrijf je op je best?
Herman Sandman schrijft het liefst aan de keukentafel, ’s nachts, als de rest van de wereld ligt te slapen. Muziek mag, hoeft niet.
Wat zeg je als je de AKO literatuurprijs in ontvangst neemt? Herman Sandman zegt bij het in ontvangst nemen van de AKO literatuurprijs: ‘Goh.’
Een nieuwstweet over Herman Sandman zou de volgende mededeling bevatten:
Herman Sandman is toch weer begonnen met voetballen.
Tenslotte
Op de.webschrijvers.nl verzamelen we zogenaamde Verhalen In 3 Zinnen (VI3Z). gebaseerd op een schrijfoefening van Lupko Ellen: beginzin, middenzin, eindzin: een verhaal!
We vragen onze gasten, schrijvers, er ook een te maken. Dus vragen we dat ook aan jou.
De man leidde wat je noemt, een alledaags bestaan, in een klein dorp, in een klein land. Zijn dromen gingen altijd over een spannend leven, in het centrum van de wereld. Morgen, dacht hij dan, morgen gebeurt het.
Herman Sandman
Kees Schrijvers
redacteur dewebschrijvers.nl
Wat is een schrijver?
Herman Sandman: een schrijver is iemand die het schrijven niet kan laten.
Welke schrijvers moet een beginnend schrijver volgens jou lezen?
Herman Sandman denkt dat elke beginnende schrijver Ernest Hemingway moet lezen. En John Irving. En Lydia Davis. En Godfried Bomans. En…
Waar en wanneer schrijf je op je best?
Herman Sandman schrijft het liefst aan de keukentafel, ’s nachts, als de rest van de wereld ligt te slapen. Muziek mag, hoeft niet.
Wat zeg je als je de AKO literatuurprijs in ontvangst neemt? Herman Sandman zegt bij het in ontvangst nemen van de AKO literatuurprijs: ‘Goh.’
Een nieuwstweet over Herman Sandman zou de volgende mededeling bevatten:
Herman Sandman is toch weer begonnen met voetballen.
Tenslotte
Op de.webschrijvers.nl verzamelen we zogenaamde Verhalen In 3 Zinnen (VI3Z). gebaseerd op een schrijfoefening van Lupko Ellen: beginzin, middenzin, eindzin: een verhaal!
We vragen onze gasten, schrijvers, er ook een te maken. Dus vragen we dat ook aan jou.
De man leidde wat je noemt, een alledaags bestaan, in een klein dorp, in een klein land. Zijn dromen gingen altijd over een spannend leven, in het centrum van de wereld. Morgen, dacht hij dan, morgen gebeurt het.
Herman Sandman
Kees Schrijvers
redacteur dewebschrijvers.nl
Abonneren op:
Posts (Atom)