Een weblog over schrijven, schrijvers en verhalen. Een ondersteuning voor wie wil schrijven en een onderdeel van het project dewebschrijvers.nl
donderdag 23 februari 2012
woensdag 22 februari 2012
Sacha Landkroon: Morgan en de beren
Morgan
Die
stralende voorjaarsdag in 1981 staat haar nog altijd helder voor de
geest. Hoe de bloesem aan de bomen geschilderd leek en er een orkest
klonk van vogels die inmiddels al lang dood zijn. Vier jaar was ze. Ze
speelde buiten met haar pluche ijsbeertje Olaf, die uitleg kreeg over
hoe je met een bal moest gooien. In haar enthousiasme gooide ze de bal
dwars door het keukenraam. Tot zover de stralende dag. Haar diepgelovige
vader kwam zonder te vloeken maar niettemin woedend aangestormd. Eerst
had hij Morgan een draai om de oren willen verkopen, maar hij koos Olaf
omdat die medeplichtig was. Sinds die dag mist Olaf zijn linkeroog en
gaapt er een gat in zijn buik waar stukjes pluche uit bloeden. Vier jaar
was ze en sindsdien houdt ze meer van beren dan van mensen.
In
de liefhebbende God die papa bij zijn gezin naar binnen sloeg, gelooft
ze niet meer, en in vanzelfsprekende ouderliefde ook niet. De patriarch
en zijn slaafse vrouw die meer dan eens een oogje toekneep, liet ze op
zekere dag achter in hun godvergeten woning in de periferie. De grote
stad en haar verlokkingen wenkten als een hand in de verte. Daar ging
ze, Morgan Norder, 17 jaar, naar Groningen, om te 'studeren'. Er kwamen
vriendjes over de vloer. Soms meer dan één per dag. Haar kamer werd een
slagveld en verdovende middelen wierpen meer dan eens hun tijdelijke
deken van opgewektheid over haar leven. De normen en waarden van haar
strenge opvoeding verdwenen in het Sodom en Gomorra dat ze zelf bouwde
als sneeuw voor de zon. En toen kwam Joost haar redden. Grote Joost met
zijn warme armen en behaarde wangen. 'Ik zal Joost nooit vergeten, omdat
hij de vader was van het kindje dat ik nooit kreeg', dacht Morgan,
terwijl ze sprookjes zat te lezen bij de haard.
De Nachtloper
Peter
hield niet van mensen. Wel van harmonieus hardlopen. Zo tegen een uur
of drie 's nachts, als de meeste mensen er definitief voor kiezen om
door te feesten tot zonsopgang of juist in het diepst van hun slaap
zijn. Naast zijn liefde voor hardlopen, koesterde Peter een diepe maar
stille liefde voor Morgan Norder. Die liefde ontstond een paar weken
eerder. Peter zat in de trein tussen Leeuwarden en Groningen. Bij
Zuidhorn stapte ze in. Hij bekeek haar eens goed van achter zijn
brillenglazen. Hoewel ze een dikke bos donkere krullen had, schoot er
meteen het beeld van 'een moderne Cleopatra' door zijn hoofd. Een
tijdloze schoonheid, zomaar op een middag in de trein. Veel mannen
zouden er een moord van doen een nachtje met zo'n dame door te brengen.
Peter hoorde niet bij 'veel mannen'. Veel mannen vonden Peter maar een
zonderling figuur. Ze zat tegenover hem te staren met een beetje een
zielige blik in haar blauw opgemaakte ogen. Alsof ze in de rouw was, had
ze haar wenkbrauwen aangezet met donkere...tja....hoe heette dat
eigenlijk? Voordat hij op het woord kon komen, begon ze tegen hem te
praten. Ze wees op een schaap dat rare bokkensprongen maakte in een
weiland. Peters hart maakte een soortgelijk sprongetje. Hij lachte
schaapachtig, zei “mal schaap” en keek omlaag naar de oortjes van zijn
iPod die op zijn borst bungelden. “Wat luisterde je?”, vroeg ze
geïnteresseerd. “Een oud album van Snow Patrol”, zei hij, “songs for
polarbears”. Heel even sloeg de schrik haar om het hart. Ze moest denken
aan Olaf het pluchen ijsbeertje, maar ze had geleerd zich snel te
herstellen. ”Ik heet Morgan, hoe heet jij?”. “Eh dinges....P-peter”.
Voor hij zich überhaupt weer herinnerde dat hij in de trein naar
Groningen zat, rolde de rood-witte stalen rups het Centraal Station
binnen. Morgan zei tot ziens en deelde een klein knipoogje uit. Peter
bleef verdoofd zitten, was het noorden even kwijt en haalde toen, om het
gebeurde te verwerken, maar snel een energiekoek tevoorschijn.
Morgan
Ze
zat te lezen bij kaarslicht die avond. Het was december en het
sneeuwde. Weer kwam het allemaal terug. Het was geen willekeurig boek
dat ze las, maar een dagelijks in haar handen terugkerende bundel met
Eskimosprookjes, waarvan ze telkens alleen het eerste verhaaltje De Grote Beer
las. Het was amper zes maanden geleden dat het leven Morgan nog
toelachte, als een vrolijke adventskalender waarvan elke dag een nieuw
vakje open zou gaan. Samen met Grote Joost leefde ze voor het eerst in
jaren echt gelukkig en verwachtte ze in het najaar een dochtertje. De
adventskalender bleek echter een kaartenhuis dat voor haar ogen in
elkaar stortte. Op een kwade dag wilde Morgan een kapotte spaarlamp
verwisselen. Joost had haar nog zo gewaarschuwd geen risico's te nemen,
maar ze deed het toch. De stoel die ze als krukje gebruikte, gleed weg.
Toen ze wakker werd in het ziekenhuis, herinnerde ze zich niets, behalve
de blik van Joost naast haar bed, waaruit liefde noch medelijden sprak.
Ze las in zijn ogen dat hij haar als de moordenares van zijn dochtertje
zag. Het onheil dat zich als een duistere wolk over haar verspreidde.
Dat gapende alles verterende niets. Alsof er pluche uit haar buik
bloedde. Een illusie armer. Een baby lichter.
De Nachtloper
Na
de ontmoeting in de trein sloeg Peters hoofd op hol. Eenmaal
thuisgekomen wilde hij alles weten van Morgan. Uit de beertjes die hij
aan haar tas had zien hangen en de foto van een beschadigde pluchen
ijsbeer als beeldachtergrond op haar telefoon, had hij geconcludeerd dat
ze van beren hield. Haar voornaam had ze hem verteld. Zelfs met zo
weinig aanknopingspunten blijkt iedereen uiteindelijk vindbaar. Na uren
speuren vond hij haar Facebookpagina en ontdekte dat ze voluit Morgan
Elisabeth Norder heette. In een drieste bui besloot hij haar als vriend
toe te voegen en al snel vond hij, midden in de nacht na een slechte
hardloopsessie, de moed om haar een berichtje te sturen. Tot zijn
verbazing volgde er een berichtje terug. Ze kende hem nog uit de trein!
Binnen een paar dagen ontstond er een conversatie die steeds verder de
diepte in ging. Morgan deed bekentenissen over de duistere periode die
ze achter de rug had. Peter luisterde en beschreef zijn eigen afkeer van
mensen. Na een tijdje kreeg hij een bericht van Morgan waarin ze
uiteenzette waarom haar relatie met Joost was stukgegaan. Overspoeld
door medelijden, voelde hij een plan opborrelen. Hij zou alles
goedmaken; de redder van een heel meisjesleven worden.
Morgan
Haar
vingers gleden over het papier om de regels bij te houden. 'Er was eens
een eskimomeisje dat een miskraam kreeg en daarna wegliep van haar
familie. Onderweg kwam ze bij een huis waar berenvellen bij de ingang
lagen. Dat huis ging ze binnen. Ze merkte al snel dat daar beren in
mensengedaante woonden, en ze besloot bij hen te blijven.' Bij iemand
zijn en blijven. Ze moest denken aan Peter, de jongen die ze enkele
weken geleden in de trein ontmoette. Niet moeders mooiste en een beetje
mensenschuw. In alles het tegenovergestelde van Joost. Maar wel lief.
Hij leek eerst zo schuchter maar zocht al spoedig daarna via Facebook
contact met haar. Hij wierp zich op als haar vertrouwenspersoon en samen
wisselden ze lieve mailtjes uit. Dwars door de gedachten aan Peter
vloeide het portret van Joost. De grote, sterke dierlijke Joost met zijn
warme lijf en zijn bebaarde gezicht. De duivelse blik op zijn gezicht
toen zij per ongeluk de dood van hun kindje veroorzaakte. Omdat de
gitzwarte beelden uit die nare periode haar weer dreigden te overvallen,
las ze verder in het sprookje. 'Een grote beer ging voor het
eskimomeisje op jacht. Na enige tijd kwam hij altijd met een jachtbuit
terug. Op een dag werd het weggelopen meisje overvallen door een hevig
verlangen om haar familie terug te zien en wilde ze naar huis. De beer
zei tegen haar: “Als je weer bij de mensen bent, mag je geen woord over
ons vertellen”. Hij was bang dat de mensen zijn jong zouden doden.'
De Nachtloper
Hij
sloeg haar elke avond door het raam gade als ze zat te lezen. Hij wist
dat ze in gedachten telkens de tragedie herbeleefde. Dat ellendige
eskimosprookje was er de oorzaak van. In de bibliotheek had hij gezocht
naar het boek dat zij iedere avond vasthield, met haar welgevormde
handen. Sprookjes hoorden niet waar te zijn. Slecht aflopende sprookjes
helemaal niet. Maar dit ene korte rotverhaaltje was perfect van
toepassing op alles wat ze zelf nog maar zo kort geleden had beleefd. En
toch niet kunnen stoppen met verder lezen! Peter kon het wel begrijpen.
Het sprookje kende hij inmiddels uit zijn hoofd. Steeds dezelfde regels
maakten hem razend. 'Daarop keerde de vrouw terug naar huis en naar
haar familie. Ze kreeg echter een onbedwingbare lust om over haar geheim
te praten en toen ze op een dag haar man aan het krieuwelen was,
fluisterde ze hem in zijn oor: “Ik heb beren gezien”. Sleden rukten uit
en toen de beer zag dat ze op weg waren naar zijn huis, kreeg hij zo'n
medelijden met zijn jong, dat hij het doodbeet. Zo wilde hij voorkomen
dat ze in handen van de mensen zouden vallen.' Peter interpreteerde het
sprookje te letterlijk en daardoor begon hij niet Morgan maar Joost als
de moordenaar van het ongeboren leventje te zien! Zijn liefde voor het
meisje begon inmiddels een obsessief karakter te vertonen en daarom
besloot hij keihard op te treden. Na alles wat ze hem in haar berichtjes
verteld had, was dat het minste wat hij voor haar kon doen.
Morgan
De
afgelopen weken had Morgan tientallen keren gedroomd van het moment dat
ze op die stoel was gaan staan om een nieuwe spaarlamp in te draaien.
De gapende leegte in haar buik was nog altijd voelbaar als een duistere
trilling. Hier begon het sprookje lichtjes van haar verhaal af te
wijken. 'Daarna ging hij ervandoor en zocht naar de vrouw die hem zo had
verraden. Hij brak haar huis binnen en doodde haar. Toen hij weer
buiten kwam, dromden de honden om hem heen en vielen hem aan.' Jazeker,
Joost had haar beroofd van zijn troostende armen en daarmee had hij
Morgan diep geraakt, maar vermoord was een te groot woord.
Ze
dreigde met dit beeld in haar hoofd in de stoel in slaap te vallen,
maar een felle melodie uit haar telefoon zorgde ervoor dat ze weer bij
de les was. Sms van Peter: “Kom aub nu naar het Sterrenbos, ik heb een
knallende verrassing voor je. Xxx Peet”. Morgan rolde met haar ogen. Ze
stond op en deed haast automatisch wat er in het bericht van haar
gevraagd werd. Ze leek feitelijk los te komen van haar eigen waarneming.
Ze pakte haar fiets uit het schuurtje en had het idee dat ze zichzelf
kon zien terwijl ze wegreed in de nacht. De laatste regels echoden door
haar hoofd: 'De beer verweerde zich uit alle macht, maar plotseling
begonnen zowel beer als honden licht uit te stralen en stegen zij als
sterren naar de hemel. En zo ontstond wat wij 'Qilugtussat' noemen: De
sterrengroep die eruitziet als een troep honden die een beer omringen.
Sindsdien zijn mensen voorzichtig met beren, want beren kunnen verstaan
wat mensen zeggen.'
De Nachtloper
In
de juiste mindset wordt het duister soms een gesuikerde vriend die zich
in luttele seconden om kan smelten tot je ergste vijand. Tussen
boomtoppen en grond, glijden de vlokken bijna geruisloos naar beneden;
je zou ze niet eens hoeven ervaren, ware het niet dat er af en toe één
als een aai over je haren glijdt. Vallende sneeuw is troostrijk. Wachten
om een moord te plegen is uitermate vervelend. Maar er was voor Peter
niets meer te kiezen. Hij had voorbereidingen getroffen en naar gewijde
muziek geluisterd. Hij had de dolk met een doek gepoetst tot zijn
vingers er zeer van deden en rond half één was hij dan eindelijk gegaan.
Over de lange Hereweg, met een snijdende wind tegen naar het
Sterrenbos. Rochel op een trollenkop bij de ingang. Bij de confrontatie
zou goed ademen essentieel zijn. Peter voelde die adem tegen de
winternacht weerkaatsen. Hier stond een jonge man die de nacht zou gaan
dragen. De held van morgen en de dag daarna. Hij had Joost online
opgespoord, en gezien dat hij een groot natuurliefhebber was. Hij had
contact gezocht, met mooie goed gedocumenteerde praatjes zijn vertrouwen
gewonnen en hem deze nacht naar het Sterrenbos gelokt. Peter had zich
voorgedaan als bioloog en de nachtdierenliefhebber Joost op de mouw
gespeld dat hij hem op een koude winternacht hermelijntjes en
boommarters zou laten zien. Joost aarzelde, wilde eerst meer weten.
Peter bestudeerde de dieren nauwkeurig, wist en veel over te vertellen
en haalde Joost uiteindelijk over om mee te gaan op de nachtelijke
zoektocht. 'De fout van je leven', dacht Peter terwijl hij zich
verkneukelde. En daar kwam hij, over de glooiende paden: Grote Joost met
zijn indrukwekkende gestalte. De bodem daverde onder anticiperende
voeten. Het uur der afrekening was een hunebed dat zich als een steen
over de Nachtloper sloot. Joost was in al zijn grootheid volkomen
kansloos. Hij was te laat om Peter uit de bosjes te zien springen en had
het mes al tussen zijn ribben voor hij zich realiseerde dat hij niet
alleen op het pad was. En daar lag hij nu, met zijn woeste baard en zijn
spieren. Kinderlijk eenvoudig geveld door de smalle Peter. Deze had de
klus mooi weten te klaren voordat Morgan arriveerde. Hier hoefde ze ten
slotte geen getuige van te zijn.
Muisje
Een
windvlaag deed het creatuurtje snakken naar evenwicht. Onder koude
wind, vervagende voetstappen van een magere jongeman en aanzwellend
verlangen, voelde ze zichzelf door het bos ploeteren, op zoek naar
warmte. Vallende sneeuwvlokken zijn helemaal niet troostrijk voor muizen
die de winterslaap niet kunnen vatten. Ook de sterren – één voor elk
gevallen muizenzieltje – werden storende lichtjes in een verder volmaakt
hemeltapijt. Op het tapijt dat haar vacht was, parelden duizenden
kristallen. Met haar tongetje streelde ze een bloedrode druppel in de
sneeuw. Even verderop lag de belofte van een warme massa met grote
stille armen en vacht op zijn gezicht.
De Nachtloper
Peter
de Nachtloper tastte met hertachtige voeten de bodem af. Antilope wilde
hij zich niet noemen omdat hij juist heel erg pro-lopen was. Rennen bij
maanlicht, de ultieme vlucht uit het leven, zeker deze keer. Hij
verschool zich achter de muziekkoepel. Zijn kattenogen ontwaarden in de
verte een gestalte. Meisje met pijpenkrullen. Er was een visioen van
lotsbestemming. Hij zag hoe ze in de verte knielde over de dode Joost
heen en hoorde hoe ze gilde. Er ging een schok van voldoening door hem
heen. Ze zou hem willen zoenen nu hij haar gered had. Maar het moment
van euforie mocht niet te lang duren. Peter zag Morgan voorover vallen.
Hier was iets helemaal niet in orde! In het zwart voor zijn ogen, het
zwart waarin de schuldige zijn eigen levensboom ziet kiemen en
verwelken, waren de taferelen pretentieloos en eerlijk. Als een spiegel
die je in één oogopslag laat zien wie je bent. Dat je niet deugt.
Morgan
Het
diepe zwart achter de oogleden van Morgan kleurde vlokje voor vlokje
maagdelijk wit. Samen waren al die duizenden vlokjes sterk genoeg om een
signaal uit te zenden, zoiets als een film maar dan puurder. Ze zakte
dieper en dieper weg. Ze zag het allemaal weer voor zich. Van wat er
groeit in de eerste maanden, tot het bloederige afgietsel dat dokters
met gespeelde devotie omwikkelen. De dienaar van het zaad niet meer
samen met de lege vrouw die hij in het ziekenhuis vond. En nu hier, zo
dichtbij. Morsdood. Met het bloed dat zich gutsend een weg baant door
zijn jas. In elke individuele sneeuwvlok, vindt de eeuwigheid zich
weerspiegeld. Niet voor niets hebben Inuit meer dan twintig woorden voor
sneeuw. Het traag ademende lichaam van Morgan Norder, dat onder elk
vallend vlokje een hartslag moest inleveren, was getuige van een aantal
verschijningen. Een stilstaand beeld van Joost. Hij stond stil en
indringend te kijken. Wees met een vinger: “ik heb je nog zo gezegd...”.
Het beeld begon te draaien, het centrifugeerde zich tot een holle
ruimte waarin een embryo dreef. Ook dit mensje in miniatuur wees met
kleine vingertjes, dwars door het vruchtwater heen. Het staarde
indringen, sloeg daarna de ogen neer en keerde zich van haar moeder af.
Er kwam weer beweging in het visioen. Nu zag Morgan zichzelf, terwijl ze
het op een lopen zette en rende tot de zon weer opkwam. Ze struikelde
over iets. De troostende vacht waar ze op was gevallen, leek te lachen.
Dichtheid van haren nam toe en de textuur werd harder, bijna
onaangenaam. Stekende splinters van takken in wangen van zacht
meisjesvel. Het witte pad en de witte bomen die in elkaar op begonnen te
gaan. Een fel licht en een ding in de spieren dat zich het best
omschrijven liet als ontspanning. Alsof ze een iglo binnenliep.
De Nachtloper
Ondertussen
was de Nachtloper tevoorschijn gekomen. In pure wanhoop zijn misdaad
vergeten. Hij voelde de polsslag van Morgan niet meer. De
ambulancebroeders konden elk moment arriveren. Waar bleven ze toch zo
lang? Tot zijn verrassing deed ze even haar ogen open. Van bibberen was
geen sprake meer. Dit lichaam was zo stijf als een plank en het begon
sterk af te koelen. Wat dit meisje had gezien had haar blijkbaar doen
instorten van blijdschap. Nu dreigde ze het niet te overleven en dat was
Peters bedoeling niet geweest. Ze fluisterde nog iets “ik hou van...”
De seconde voor ze zelf boom werd, keek Peter in haar ogen. Heel zeker
wist hij dat het laatste woord 'jou' had moeten zijn. De dode beer in de
verte hoefde ze niet langer te zien. De Nachtloper drukte haar ogen
dicht. Een oneindig zwijgen nam bos en gevallen moeder onder haar hoede.
Vlak voor hij in de verte een zwaailicht zag naderen, was er heel even
het gewrijf van wimpers tegen elkaar hoorbaar. Als een vleesetend
plantje dat de blaadjes om een ongelukkige vlieg krult. Maar hier was
het lichaam zelf vlieg. Eter en gegetene.
Muisje
Een
schimmig muisje had het tafereel gadegeslagen. Nu de mannenmassa met
baard begon af te koelen was een nieuwe slaapplaats noodzakelijk. Een
staartje kietelde over een halfwarme meisjesarm. Zo'n okselholte was een
buitenkans voor muizen in nood. Hier zou slapen vast fijn zijn. Zij was
er niet bang voor en bewoog niet, zoals andere mensen, vond het kleine
schepsel. Hier zou ze de winter wel doorkomen. Maar halverwege de slaap
ging de verwarming uit en sleepten er mannen haar afkoelende holletje
weg. Het muisje vluchtte een boomholte binnen en rouwde om wat haar
zojuist was afgenomen.
dinsdag 21 februari 2012
Sylvia Groener: Dodelijke kunst
Derksma bekeek het portret, dat zijn vrouw van hem geschilderd had.
‘Ik moet op dieet geloof ik’, zei hij.
Zijn vrouw lachte een beetje. ‘En je snor afscheren.’
‘Tja’, antwoordde haar man, ‘het kan ook aan jouw schilderkunst liggen natuurlijk Valerie.’
‘Dacht het niet’, antwoordde ze, ‘Wat een vriendelijke vrouw was dat.’
‘Ja, leuk dat ze ook meedeed aan deze workshop. Hoe heette ze ook al weer?’
‘Ellen, volgens mij. En ze verblijft hier een paar dagen in Bad Nieuweschans. Even eruit. Nou gelijk heeft ze, het is hier erg mooi. Staan we veel te weinig bij stil, vind je niet schat?’
‘Ja, toeristen doen dingen die wij als bewoners nou nooit doen, die kunstroute die die Ellen nu gaat doen, heb ik nog nooit gedaan bijvoorbeeld.’
‘Wat een goed idee!’, Valerie Derksma pakte hem bij de arm, “Dat gaan we doen! Lekker wandelen, ateliers bekijken en daarna uit eten.’
‘Niet zo enthousiast’, haar man legde een hand op haar arm, ‘We zouden toch in de tuin aan de slag?’
‘Kom op, zeur niet, die tuin ligt er morgen ook nog.’
‘Maar dan moet ik weer naar het politiebureau, daar ligt nog een stapel werk op mij te wachten.’
‘Nou, meneer de brigadier, soms wat delegeren aan je mensen kan ook geen kwaad’, hintte ze en trok hem mee richting de kunstroute.
***
Nadat zijn collega hem ruw uit zijn slaap gehaald had met zijn telefoontje haastte Derksma zich de volgende ochtend de deur uit. Een lijk in Bad Nieuweschans. Dat was hem maar eenmaal eerder overkomen. Aangekomen bij de plaats delict somde zijn collega van de districtsrecherche de feiten op: ‘Mevrouw Ellen Dekker, 37 jaar, getrouwd, 3 kinderen. Vanmorgen hier aangetroffen. Mogelijke verdachten zijn er op dit moment niet. Haar man was thuis met de kinderen 100 km verderop, wat is bevestigd door buren en schoonouders. Er speelt wel een rechtszaak met een zakelijke partner.’
‘Ok, zoek dat uit’, bromde Derksma, terwijl hij bedachtzaam naar Ellens rug keek. Een stuk huid in de vorm van een rechthoek was eruit gesneden met uiterste precisie. ‘Is er al buurtonderzoek gedaan?’, vroeg Derksma zijn collega. De arts draaide het lichaam van het slachtoffer om. Derksma verschoot van kleur.
***
Dankbaar pakte Derksma het glaasje water aan. Hij had haar herkend. De vrouw van de workshop. Een heel vriendelijke vrouw, niet van hier, maar toch. Ze kon aardig schilderen ook. Maar nu dit. Wat was er gebeurd nadat hij en zijn vrouw haar hadden uitgezwaaid? Hij stopte zijn sigarendoosje in de binnenzak van zijn colbert. Deze zaak zou hij hoogstpersoonlijk tot op de bodem uitzoeken!
***
‘Laten we de kunstroute nalopen’, zei brigadier Derksma tegen zijn collega. ‘Echt lopen?’, lachte de rechercheur, spottend kijkend naar de buik van de brigadier. Die fronste zijn wenkbrauwen en zei ‘nee natuurlijk niet, jij rijdt de dienstwagen.’ De meeste atelierhouders herkenden de brigadier van de dag ervoor toen hij ook een deel van de route met zijn vrouw had gevolgd. Hij had Valerie echter kunnen overhalen eerder af te haken en wat te gaan drinken. Ellen was verder gekomen. Ze had de glasblazerij ook nog bezocht, daarna leek het spoor dood te lopen.
***
Derksma draaide zijn sigaar tussen wijsvinger en duim bedachtzaam rond. En nam kleine trekjes. Hij volgde de rookwolkjes met zijn ogen en zijn schouders ontspanden. Een agent zwaaide de deur open en de wind vernietigde zijn wolkjes. De rechercheur stond al voor Derksma's bureau voor hij er erg in had.
‘Brigadier, we hebben een man die gister ook aanwezig was bij de workshop.’
‘Breng hem naar de verhoorkamer, ik kom zo’, reageerde Derksma kortaf.
‘Goedemiddag, heer Warmerhoven’, zei Derksma, ‘Dus u hebt een portret geschilderd van het slachtoffer.’
De heer Warmerhoven, zichtbaar nerveus knikte bedeesd. Als een kleine schooljongen zat hij aan tafel. Hij herkende de brigadier van de dag ervoor.
‘Hoe kwam u erbij om deze workshop te volgen?’
‘Ik hoorde ervan via Kees, mijn huisgenoot.’
‘Wat hebt u na afloop gedaan?’
‘Ik heb nog wat nagepraat met andere deelnemers, twee dames. Ik denk tot 12.45 uur. Daarna ben ik lopend naar Café De Oude Gevel gegaan, waar ik de hele middag heb meegedaan aan een biljarttoernooi tot in de late uurtjes en daarna naar huis. Kees was toen ook al thuis.’
Een diender rende de kamer binnen. ‘Brigadier, dit moet u lezen. Een chirurg die op loopafstand woont van de plaats delict is in 1985 gevlucht naar Nederland en staat gesignaleerd voor een Duitse zaak. We hebben huiszoeking gedaan en een bebloed mes bij hem in de tuin gevonden.’ De brigadier keek tevreden. ‘Deze zaak kon weleens heel gauw opgelost worden… U kunt gaan hoor, heer Warmerhoven.’
***
'De Officier van Justitie heeft toestemming gegeven m op te pakken.' zei de rechercheur. Derksma gromde iets onverstaanbaars, pakte het dossier aan dat de agent hem toe stak en begon te lezen. Deze respectabele chirurg Sybrands was een jaar of vijftien geleden in opspraak gekomen in Duitsland. Hij zou een patiënt hebben vermoord en toegetakeld hebben met zijn chirurgen mes. Uiteindelijk was hij niet veroordeeld en vertrokken naar Nederland.
Na een paar minuten vloog de deur open. Derksma keek op.
Er werd iemand binnen gebracht die onmiddellijk van leer begon te trekken.
'Wat is dit allemaal? Mijn patiënten wachten op mij. Ik moet zo opereren!'
‘Dit is hem’, zei de rechercheur vanachter de rug van de chirurg. Brigadier Derksma keek hem niet-begrijpend aan. ‘Die nabij het plaats delict woont’, hintte hij. ‘Ah’, zei Derksma. ‘Heer Sybrands, neemt u plaats.’
‘Laat ik maar met de deur in huis vallen. Er is een dame vermist geraakt op 21 april en dood gevonden 300 meter van uw huis. Kunt u ons vertellen waar u was 21 en 22 april?’
‘Ben ik daarom hierheen gehaald, omdat ik er vlakbij woon? Ik heb genoeg buren, die heb ik hier niet gezien! Ik heb er niets mee te maken, dat lijkt me duidelijk. Ik ga. Mijn patiënten wachten op mij!’
Hij wilde weg. Zo snel mogelijk, zo ver mogelijk, zag Derksma.
‘Ho, ho, heer Sybrands, momentje, blijft u nog gewoon even zitten. Ik wil eerst weten of u een alibi had voor die dagen.’
‘Nee, dat heb ik niet, mag ik nu gaan?’
‘Nog niet.’ Derksma volgde zorgvuldig de regels. Hij zou deze zaak niet op een vormfout laten gaan.
***
Na een veel te lang vraaggesprek zat Sybrands in zijn cel. Hij was verbaasd. Dit ging helemaal niet om wat er in Duitsland was gebeurd. Was er dan toch echt iets mis met zijn zoon? Het was toch een ongeluk toen? Nog een geluk dat ze hem meenamen. Zijn zoon had hij eerder beschermd en dat zou hij nu weer doen. Hij had altijd in zijn onschuld geloofd. Bestaat toeval? De politie dacht van niet. Hoe kwam dat mes dan in zijn tuin? Kees had die dag wel bij hem gegeten. Nee, dit kon toch niet waar zijn? Het huis staat vlakbij de vindplaats van die arme vrouw, iedereen kan dat mes over de schutting hebben gegooid!
***
Brigadier Derksma sloeg de krant open en las voldaan het artikel over zijn opgeloste zaak. ‘Chirurg veroordeeld voor lugubere ‘huidmoord’. Chirurg S. heeft bekend de jonge vrouw om het leven te hebben gebracht. Over het motief tast de recherche nog in het duister. De chirurg die vlakbij de plaats delict woont, bleek al verdachte in een Duitse vergelijkbare zaak. ‘Het moordwapen is bij hem aangetroffen’, aldus de districtsrecherche.(..)”’ Toen viel zijn oog op een aankondiging van een expositie van een plaatselijke kunstenaar. ‘He schat, is dat niet iets voor jou?’
***
‘EXPOSITIE KUNSTENAAR MOOIMAN
Vandaag vanaf 16.00 uur in het atelier aan de Klusterweg 12 stond er op het affiche dat op de deur hing. Valerie was onder de indruk van alle kunstwerken. Zijn stijl beviel haar. Een vriendelijke serveerster bood haar een glas Prosecco aan. Dorstig nam ze het aan. Toen zag ze een werkelijk prachtig kunstwerk. Zoals vaak met kunst was het moeilijk te omschrijven. Het was een patroon van vormen, lijntjes en kleuren. Het was ingelijst, maar het was geen schilderij. Ze bekeek het nog eens goed. ‘Wat vindt u ervan?’, klonk de stem van de kunstenaar naast haar. ‘Schitterend’, zei ze licht blozend terwijl ze hem kort aankeek. Haar blik ging weer naar het kunstwerk. ‘Heer Mooiman, als ik zo vrij mag zijn, mag ik u vragen van welk materiaal dit kunstwerk gemaakt is?’ Hij glimlachte en zei: ‘Zeg maar Kees hoor.'
maandag 20 februari 2012
Janneke Heimweg: Waanzinnige Wraak
‘En wat gebeurde er toen, opa?’
‘Er ontstond liefde.’ Opa veegde zijn wang langs zijn schouder.
‘Liefde?’
‘Jacob, mijn beste vriend, werd verliefd op haar.’ Hij raspte met de punt van zijn schoen in het grindpad.
‘Op Oma?’
‘Ja meisje, je oma was niet zo lief als dat ze leek.’ Opa snoot toen krachtig zijn neus, stond op en liep zonder verder nog wat te zeggen richting de uitgang.
Haar Opa, dat voorjaar veranderde alles tussen hen. Als eerstejaars studente Biotechnologie woonde Ruth net een paar maanden op kamers in de stad. Sinds oma’s overlijden, drie weken eerder, woonde ze bij opa in huis. Hij kon absoluut niet alleen zijn; zij was de enige familie in de buurt, dus zette ze haar leven in de wacht en zorgde.
Die voorjaarsdag gingen ze weer naar oma’s graf; daarna waren ze gaan zitten op een bankje met hun rug naar het joodse gedeelte. Daar op dat bankje in het lentezonnetje begon opa te vertellen. Hij was, voor het eerst eigenlijk, heel open over vroeger; zijn jeugd in de Folkingestraat en zijn joodse afkomst. Hij hield een monoloog over de moeilijkste periode in zijn huwelijk met oma, ruim twintig jaar geleden.
Tijdens dat gesprek met opa merkte ze dat hij steeds luider ging praten, zijn wangen werden roder en hij stroopte de mouwen van zijn colbert op. Ze had het gevoel dat hij de kern van zijn grote verdriet zou gaan vertellen. Maar Opa bleef een tijdje stil, even dacht ze dat hij niet verder zou gaan.
En toen vertelde hij het. Eigenlijk voelde ze zich ook wel vereerd dat opa zijn geheim aan haar onthulde.
Nu loopt ze hier, op weg naar haar opa; hij is voor altijd samen met oma. Het pad is onzichtbaar, maar ze herinnert zich de weg die de rouwstoet aflegde nog goed. Nou is ze alleen. Alleen in deze stad; haar studiegenoten hebben niet gewacht in de afgelopen periode.
Het nieuws over het gedrag van haar oma heeft zich genesteld in haar achterhoofd, het heeft haar gevoelens voor haar opa alleen maar sterker gemaakt.
De zon komt steeds hoger. De sneeuw op de dunne boomtakjes smelt langzaam, hier en daar zijn plofjes hoorbaar. Het is hier heerlijk stil. Ze blaast haar winterhanden warm. Ze moet opschieten, opa heeft niets aan haar getreuzel.
Achter haar klinkt een knarsend geluid. Steeds luider. Ze draait haar hoofd; sigarenlucht golft haar koude neus binnen. Vlak langs de beukenhaag strompelt een oude man. Hij komt haar kant op. Met zijn wandelstok maakt hij deukjes in de sneeuw, een sigarenstompje steekt uit zijn mondhoek, zijn grijze baard is bruin verkleurd.
‘Goedemorgen meneer.’ Haar stem trilt.
‘Goedemorgen. Wat doet een meisje zoals jij hier alleen op deze stille ochtend. Zoek je iemand?’ De stem van de man klinkt vriendelijk.
‘Ik weet waar mijn opa ligt. Ik wil de sneeuw van zijn grafboeket vegen.’
‘Hoe heet je opa?’ Nu de man dichterbij is, ziet ze dat zijn ogen alleen uit wit lijken te bestaan. Er is nauwelijks een pupil zichtbaar, daardoor kan ze niet goed zien of de man haar aankijkt. Zijn grote zwarte hoed die eerst kaarsrecht op zijn hoofd stond, is door de paar zinnen opzij gaan hangen.
‘Mijn opa heet Aron Rosenberg en hij ligt hier sinds eergister.’
‘Aron Rosenberg, is hij dood?’ Bij het horen van opa’s naam lijkt het gezicht van de man nog grauwer. Zijn wangen zakken en zijn kaakspieren zijn duidelijk zichtbaar onder zijn huid. Zijn ogen worden vochtig.
‘Ja, net als mijn oma. Ik heb hier niemand meer.’
‘Jouw opa was mijn vriend.’
Verrast recht ze haar rug.
‘Wie bent u?’ Haar stem klinkt fel. Korte ademwolkjes ontsnappen uit haar mond.
‘Ik ben Jacob Polak.’
‘Jacob’, fluistert ze. Ze voelt haar adem versnellen, ze balt haar vuisten en snuift. Dit moet hem zijn.
‘U heeft het leven van mijn opa verpest!’
‘Meisje toch, waar heb je het over.’ De stem van de oude man klinkt zachter. Hij wil haar sussen, haar laten zwijgen. Maar ze is net begonnen.
‘Het is uw schuld dat mijn opa de laatste twintig jaar van zijn leven zo heeft geleden. Wist u dat ze weer samen zijn gekomen?’ Haar stem galmt over het stille, witte kerkhof.
‘Ik had ook verdriet.’ Het is nu duidelijk dat hij haar aankijkt; zijn pupillen zichtbaar, zijn oogwit rood.
‘Meneer, u weet niet wat verdriet is. Uw verdriet kan nooit te vergelijken zijn met dat van mijn opa.’ Ze stampt met haar bontlaarzen op de grond, een bruine drab vormt zich.
‘Aron is dood’, de man haalt zijn neus op, ‘het spijt me zo.’
‘Het spijt u?’, blaft ze hem toe.
‘Ik kan het nooit meer goedmaken.’
‘U verwoest iemands leven en dat is het? Waar was u al die tijd?’
‘Ik was weg. Nu ben ik weer terug in de stad.’ Hij zet zijn hoed recht op zijn hoofd.
‘Opa heeft lang naar u gezocht, hij miste u en wilde uw verhaal. Wist u dat hij huilde toen hij mij alles vertelde?’
‘Ik hoef dit niet langer aan te horen, kindje. Je bent van slag. Je opa is dood. Ga naar zijn graf en laat mij met rust.’ De man draait zich om en loopt het pad af richting de uitgang aan de Moesstraat.
Ruth haalt hem in en grijpt de bejaarde bij zijn bovenarm, zijn botten duidelijk voelbaar. Zijn sigarenstompje valt in de sneeuw.
‘U zult boeten voor wat u mijn opa heeft aangedaan!’
Acrolein, met hoofdletters op het etiket gedrukt. Een fluorescerend oranje doodshoofd glanst haar tegemoet. Ze glimlacht bij het zien van de andere oranje gevarensymbolen, alleen dit stofje is goed genoeg voor haar plan. Ze pakt het potje uit de plofkast en geeft de deur een duw. Met een harde klap valt de zware metalen deur van de veiligheidskast dicht; de knal dreunt na over het verlaten researchlab.
Ze had goed opgelet tijdens het college over dit stofje. Opa had geboeid geluisterd toen ze hem de werking ervan uitlegde.
Opschieten nu, de beveiligingsbeambten van het UMCG kunnen elk moment langskomen voor de avondronde. Ze plaatst het potje in de zuurkast en vult de injectiespuit.
Ze is er klaar voor.
Als na een gewone stagedag hangt ze haar labjas terug aan de kapstok bij de deur en loopt de donkere gang in.
Als Joodse gaat ze elke sabbat, net als opa en oma vroeger, naar de synagoge; waar ze de geloofsbelijdenis gretig in zich opneemt.
Naast haar schuiven de gelovigen aan, klaar voor de nieuwe dienst. Ze voelt de injectiespuit tegen haar ribben gedrukt. Vandaag is het zover. Ze gaat ervan uit dat opa’s vriend vandaag ook de synagoge bezoekt, een goede Jood slaat geen dienst over.
Ze gaapt, haar ogen voelen branderig aan; de twijfel heeft haar wakker gehouden. Maar haar gevoel staat nog steeds achter haar plan. Ze moet doorgaan; laat ze het daarboven maar uitvechten.
Dan ziet ze hem zitten. Ze schat de afstand naar de zitplaats van haar slachtoffer op tien meter.
Wat doet hij nu! Hij staat op, maar de dienst is nog niet afgelopen. De zitting van zijn klapstoel veert terug tegen de rugleuning. Hij verlaat de sjoel door de opening in het smeedijzeren hek en spoedt zich richting de uitgang. Wat gaat hij doen, waar gaat hij naartoe? Ze moet achter hem aan.
Ze veert op. Haar buurmannen kijken verbaasd naar haar op; excuses mompelend schuift ze langs hen heen en spurt achter de grijsaard aan. Ze houdt hem goed in het oog, hij zal haar niet ontsnappen.
Eenmaal uit de sjoel versnelt ze. Opa’s vriend vlucht het rechterzijportaal in, zijn witte mantel is nog net zichtbaar om de hoek van de trapopgang. Zijn wandelstok rolt over de granieten vloer. Ze ontwijkt de stok, sprint naar de houtentrap en volgt met twee treden tegelijk. De planken kraken luid, niet gewend aan zoveel haast. De man kijkt over zijn schouder naar beneden, hun blikken kruisen. Ze moet hem inhalen.
Boven aangekomen, grist de man een stok met een haak van de muur; hij graait ermee naar iets in het plafond en vervolgens ziet ze, recht boven het trapsgat, een luik opengaan. Hoe weet hij van dat luik?
De man trekt aan een touw en een dunne, smalle ladder komt naar beneden. Hij betreedt de wiebelende trap, het ding lijkt los boven de grond te hangen. Precies boven haar ziet ze hem wild heen en weer zwaaien, maar hij houdt stand. Hij weet duidelijk waar hij heen gaat. Zij weet het ook. De torentjes.
Via de smalle ladder belanden ze op de overloop, vaste ruwhouten treden cirkelen naar boven. De oude man is al halverwege in de toren. Ze voelt haar wapen langs haar ribben schuren.
‘Hé, waar gaat u naar toe?’
‘Ga weg!’ Er klinkt een harde bons.
De man arriveert in het rechtertorentje van de synagoge. Hij weet vast dat hij zijn dood tegemoet gaat. Er is geen uitweg daarboven; alleen de afgrond, de gele straatstenen van de Folkingestraat. Maar waarom?
De laatste tree slaat ze over en dan staat ze tegenover hem. De man die ze haat. De man die opa zoveel verdriet heeft gedaan. Ze gaat het afmaken. Speciaal voor haar opa.
‘Wat doet u hier?’, snauwt ze hijgend. Haar adem condenseert onmiddellijk.
‘Ik ga springen.’ De harde wind waait de woorden van de bejaarde het torentje uit. Hij staat, gebogen met zijn handen op zijn benen steunend, te hijgen. Zijn rug gaat wild op en neer. Er klinkt gesnik; staat hij hier te huilen? Een volwassen vent?
‘Het spijt me zo’, mompelt hij.
‘Wat!’ Ze ademt diep in door haar neus en uit door haar mond. Ze voelt zich met elke koele ademteug rustiger worden. Ze weet wat ze moet doen.
‘Je opa en ik. We woonden naast elkaar in de Folkingestraat, na de dienst op sabbat speelden we verstoppertje in de synagoge. Jouw opa heeft toen het luik hier beneden ontdekt; dat is ons geheim. Jij weet het nu ook.’ Inmiddels staat de man rechtop, zijn schouders hangen naar voren; hij lijkt gekrompen sinds het begin van de dienst. Water loopt hem uit de ogen.
‘Ik hield van haar. Ik liet mijn beste vriend in de steek voor haar. Ik heb zo vreselijk spijt.’
‘Daar is het nu te laat voor.’ Ruth grijpt in haar binnenzak naar de injectiespuit, haalt het beschermhoesje van de naald en zwaait het wapen voor de ogen van de man.
‘De inhoud hiervan zal u redden van dit leven’, fluistert ze poeslief.
‘Doe nou niet, meisje. Laat me springen. Ik moet naar Aron toe, hem alles uitleggen. Ik ben klaar met dit leven, met mijn bedrog en mijn verraad. Toe, laat me gaan. Je komt in de problemen als je dat ding gebruikt, dat zou je opa nooit gewild hebben.’
‘Opa is dood, dat is uw schuld.’ Haar stem hapert, ze zucht en laat haar arm langzaam zakken. Opa komt nooit meer terug.
‘Jouw oma wilde uiteindelijk toch liever haar man. Ik hield van haar, dus ik vertrok.’
‘Waarom mijn oma. De vrouw van uw beste vriend. Dat slaat toch nergens op?’ Haar schouders voelen zwaar, ze zou het liefst even gaan liggen. Ze kan deze man toch niet…? Hij is best vriendelijk eigenlijk. Opa zou raad weten.
‘Liefde laat zich niet uitleggen, meisje.’
Een felle rukwind blaast de keppel van het hoofd van de oude man. Hij grijpt ernaar, valt en stoot tegen de schijnwerper die op de grond tegen de balustrade staat.
Dit is haar moment. Het moet nu. Voor haar opa. Ze valt op haar knieën naast opa’s vriend.
Maar ze kan het niet, opa blijft hoe dan ook weg.
‘Het spijt me zo ontzettend’, prevelt hij.
Dan hoort ze een snik, het lichaam schokt.
‘Doe opa de groeten.’
‘Er ontstond liefde.’ Opa veegde zijn wang langs zijn schouder.
‘Liefde?’
‘Jacob, mijn beste vriend, werd verliefd op haar.’ Hij raspte met de punt van zijn schoen in het grindpad.
‘Op Oma?’
‘Ja meisje, je oma was niet zo lief als dat ze leek.’ Opa snoot toen krachtig zijn neus, stond op en liep zonder verder nog wat te zeggen richting de uitgang.
Haar Opa, dat voorjaar veranderde alles tussen hen. Als eerstejaars studente Biotechnologie woonde Ruth net een paar maanden op kamers in de stad. Sinds oma’s overlijden, drie weken eerder, woonde ze bij opa in huis. Hij kon absoluut niet alleen zijn; zij was de enige familie in de buurt, dus zette ze haar leven in de wacht en zorgde.
Die voorjaarsdag gingen ze weer naar oma’s graf; daarna waren ze gaan zitten op een bankje met hun rug naar het joodse gedeelte. Daar op dat bankje in het lentezonnetje begon opa te vertellen. Hij was, voor het eerst eigenlijk, heel open over vroeger; zijn jeugd in de Folkingestraat en zijn joodse afkomst. Hij hield een monoloog over de moeilijkste periode in zijn huwelijk met oma, ruim twintig jaar geleden.
Tijdens dat gesprek met opa merkte ze dat hij steeds luider ging praten, zijn wangen werden roder en hij stroopte de mouwen van zijn colbert op. Ze had het gevoel dat hij de kern van zijn grote verdriet zou gaan vertellen. Maar Opa bleef een tijdje stil, even dacht ze dat hij niet verder zou gaan.
En toen vertelde hij het. Eigenlijk voelde ze zich ook wel vereerd dat opa zijn geheim aan haar onthulde.
Nu loopt ze hier, op weg naar haar opa; hij is voor altijd samen met oma. Het pad is onzichtbaar, maar ze herinnert zich de weg die de rouwstoet aflegde nog goed. Nou is ze alleen. Alleen in deze stad; haar studiegenoten hebben niet gewacht in de afgelopen periode.
Het nieuws over het gedrag van haar oma heeft zich genesteld in haar achterhoofd, het heeft haar gevoelens voor haar opa alleen maar sterker gemaakt.
De zon komt steeds hoger. De sneeuw op de dunne boomtakjes smelt langzaam, hier en daar zijn plofjes hoorbaar. Het is hier heerlijk stil. Ze blaast haar winterhanden warm. Ze moet opschieten, opa heeft niets aan haar getreuzel.
Achter haar klinkt een knarsend geluid. Steeds luider. Ze draait haar hoofd; sigarenlucht golft haar koude neus binnen. Vlak langs de beukenhaag strompelt een oude man. Hij komt haar kant op. Met zijn wandelstok maakt hij deukjes in de sneeuw, een sigarenstompje steekt uit zijn mondhoek, zijn grijze baard is bruin verkleurd.
‘Goedemorgen meneer.’ Haar stem trilt.
‘Goedemorgen. Wat doet een meisje zoals jij hier alleen op deze stille ochtend. Zoek je iemand?’ De stem van de man klinkt vriendelijk.
‘Ik weet waar mijn opa ligt. Ik wil de sneeuw van zijn grafboeket vegen.’
‘Hoe heet je opa?’ Nu de man dichterbij is, ziet ze dat zijn ogen alleen uit wit lijken te bestaan. Er is nauwelijks een pupil zichtbaar, daardoor kan ze niet goed zien of de man haar aankijkt. Zijn grote zwarte hoed die eerst kaarsrecht op zijn hoofd stond, is door de paar zinnen opzij gaan hangen.
‘Mijn opa heet Aron Rosenberg en hij ligt hier sinds eergister.’
‘Aron Rosenberg, is hij dood?’ Bij het horen van opa’s naam lijkt het gezicht van de man nog grauwer. Zijn wangen zakken en zijn kaakspieren zijn duidelijk zichtbaar onder zijn huid. Zijn ogen worden vochtig.
‘Ja, net als mijn oma. Ik heb hier niemand meer.’
‘Jouw opa was mijn vriend.’
Verrast recht ze haar rug.
‘Wie bent u?’ Haar stem klinkt fel. Korte ademwolkjes ontsnappen uit haar mond.
‘Ik ben Jacob Polak.’
‘Jacob’, fluistert ze. Ze voelt haar adem versnellen, ze balt haar vuisten en snuift. Dit moet hem zijn.
‘U heeft het leven van mijn opa verpest!’
‘Meisje toch, waar heb je het over.’ De stem van de oude man klinkt zachter. Hij wil haar sussen, haar laten zwijgen. Maar ze is net begonnen.
‘Het is uw schuld dat mijn opa de laatste twintig jaar van zijn leven zo heeft geleden. Wist u dat ze weer samen zijn gekomen?’ Haar stem galmt over het stille, witte kerkhof.
‘Ik had ook verdriet.’ Het is nu duidelijk dat hij haar aankijkt; zijn pupillen zichtbaar, zijn oogwit rood.
‘Meneer, u weet niet wat verdriet is. Uw verdriet kan nooit te vergelijken zijn met dat van mijn opa.’ Ze stampt met haar bontlaarzen op de grond, een bruine drab vormt zich.
‘Aron is dood’, de man haalt zijn neus op, ‘het spijt me zo.’
‘Het spijt u?’, blaft ze hem toe.
‘Ik kan het nooit meer goedmaken.’
‘U verwoest iemands leven en dat is het? Waar was u al die tijd?’
‘Ik was weg. Nu ben ik weer terug in de stad.’ Hij zet zijn hoed recht op zijn hoofd.
‘Opa heeft lang naar u gezocht, hij miste u en wilde uw verhaal. Wist u dat hij huilde toen hij mij alles vertelde?’
‘Ik hoef dit niet langer aan te horen, kindje. Je bent van slag. Je opa is dood. Ga naar zijn graf en laat mij met rust.’ De man draait zich om en loopt het pad af richting de uitgang aan de Moesstraat.
Ruth haalt hem in en grijpt de bejaarde bij zijn bovenarm, zijn botten duidelijk voelbaar. Zijn sigarenstompje valt in de sneeuw.
‘U zult boeten voor wat u mijn opa heeft aangedaan!’
Acrolein, met hoofdletters op het etiket gedrukt. Een fluorescerend oranje doodshoofd glanst haar tegemoet. Ze glimlacht bij het zien van de andere oranje gevarensymbolen, alleen dit stofje is goed genoeg voor haar plan. Ze pakt het potje uit de plofkast en geeft de deur een duw. Met een harde klap valt de zware metalen deur van de veiligheidskast dicht; de knal dreunt na over het verlaten researchlab.
Ze had goed opgelet tijdens het college over dit stofje. Opa had geboeid geluisterd toen ze hem de werking ervan uitlegde.
Opschieten nu, de beveiligingsbeambten van het UMCG kunnen elk moment langskomen voor de avondronde. Ze plaatst het potje in de zuurkast en vult de injectiespuit.
Ze is er klaar voor.
Als na een gewone stagedag hangt ze haar labjas terug aan de kapstok bij de deur en loopt de donkere gang in.
Als Joodse gaat ze elke sabbat, net als opa en oma vroeger, naar de synagoge; waar ze de geloofsbelijdenis gretig in zich opneemt.
Naast haar schuiven de gelovigen aan, klaar voor de nieuwe dienst. Ze voelt de injectiespuit tegen haar ribben gedrukt. Vandaag is het zover. Ze gaat ervan uit dat opa’s vriend vandaag ook de synagoge bezoekt, een goede Jood slaat geen dienst over.
Ze gaapt, haar ogen voelen branderig aan; de twijfel heeft haar wakker gehouden. Maar haar gevoel staat nog steeds achter haar plan. Ze moet doorgaan; laat ze het daarboven maar uitvechten.
Dan ziet ze hem zitten. Ze schat de afstand naar de zitplaats van haar slachtoffer op tien meter.
Wat doet hij nu! Hij staat op, maar de dienst is nog niet afgelopen. De zitting van zijn klapstoel veert terug tegen de rugleuning. Hij verlaat de sjoel door de opening in het smeedijzeren hek en spoedt zich richting de uitgang. Wat gaat hij doen, waar gaat hij naartoe? Ze moet achter hem aan.
Ze veert op. Haar buurmannen kijken verbaasd naar haar op; excuses mompelend schuift ze langs hen heen en spurt achter de grijsaard aan. Ze houdt hem goed in het oog, hij zal haar niet ontsnappen.
Eenmaal uit de sjoel versnelt ze. Opa’s vriend vlucht het rechterzijportaal in, zijn witte mantel is nog net zichtbaar om de hoek van de trapopgang. Zijn wandelstok rolt over de granieten vloer. Ze ontwijkt de stok, sprint naar de houtentrap en volgt met twee treden tegelijk. De planken kraken luid, niet gewend aan zoveel haast. De man kijkt over zijn schouder naar beneden, hun blikken kruisen. Ze moet hem inhalen.
Boven aangekomen, grist de man een stok met een haak van de muur; hij graait ermee naar iets in het plafond en vervolgens ziet ze, recht boven het trapsgat, een luik opengaan. Hoe weet hij van dat luik?
De man trekt aan een touw en een dunne, smalle ladder komt naar beneden. Hij betreedt de wiebelende trap, het ding lijkt los boven de grond te hangen. Precies boven haar ziet ze hem wild heen en weer zwaaien, maar hij houdt stand. Hij weet duidelijk waar hij heen gaat. Zij weet het ook. De torentjes.
Via de smalle ladder belanden ze op de overloop, vaste ruwhouten treden cirkelen naar boven. De oude man is al halverwege in de toren. Ze voelt haar wapen langs haar ribben schuren.
‘Hé, waar gaat u naar toe?’
‘Ga weg!’ Er klinkt een harde bons.
De man arriveert in het rechtertorentje van de synagoge. Hij weet vast dat hij zijn dood tegemoet gaat. Er is geen uitweg daarboven; alleen de afgrond, de gele straatstenen van de Folkingestraat. Maar waarom?
De laatste tree slaat ze over en dan staat ze tegenover hem. De man die ze haat. De man die opa zoveel verdriet heeft gedaan. Ze gaat het afmaken. Speciaal voor haar opa.
‘Wat doet u hier?’, snauwt ze hijgend. Haar adem condenseert onmiddellijk.
‘Ik ga springen.’ De harde wind waait de woorden van de bejaarde het torentje uit. Hij staat, gebogen met zijn handen op zijn benen steunend, te hijgen. Zijn rug gaat wild op en neer. Er klinkt gesnik; staat hij hier te huilen? Een volwassen vent?
‘Het spijt me zo’, mompelt hij.
‘Wat!’ Ze ademt diep in door haar neus en uit door haar mond. Ze voelt zich met elke koele ademteug rustiger worden. Ze weet wat ze moet doen.
‘Je opa en ik. We woonden naast elkaar in de Folkingestraat, na de dienst op sabbat speelden we verstoppertje in de synagoge. Jouw opa heeft toen het luik hier beneden ontdekt; dat is ons geheim. Jij weet het nu ook.’ Inmiddels staat de man rechtop, zijn schouders hangen naar voren; hij lijkt gekrompen sinds het begin van de dienst. Water loopt hem uit de ogen.
‘Ik hield van haar. Ik liet mijn beste vriend in de steek voor haar. Ik heb zo vreselijk spijt.’
‘Daar is het nu te laat voor.’ Ruth grijpt in haar binnenzak naar de injectiespuit, haalt het beschermhoesje van de naald en zwaait het wapen voor de ogen van de man.
‘De inhoud hiervan zal u redden van dit leven’, fluistert ze poeslief.
‘Doe nou niet, meisje. Laat me springen. Ik moet naar Aron toe, hem alles uitleggen. Ik ben klaar met dit leven, met mijn bedrog en mijn verraad. Toe, laat me gaan. Je komt in de problemen als je dat ding gebruikt, dat zou je opa nooit gewild hebben.’
‘Opa is dood, dat is uw schuld.’ Haar stem hapert, ze zucht en laat haar arm langzaam zakken. Opa komt nooit meer terug.
‘Jouw oma wilde uiteindelijk toch liever haar man. Ik hield van haar, dus ik vertrok.’
‘Waarom mijn oma. De vrouw van uw beste vriend. Dat slaat toch nergens op?’ Haar schouders voelen zwaar, ze zou het liefst even gaan liggen. Ze kan deze man toch niet…? Hij is best vriendelijk eigenlijk. Opa zou raad weten.
‘Liefde laat zich niet uitleggen, meisje.’
Een felle rukwind blaast de keppel van het hoofd van de oude man. Hij grijpt ernaar, valt en stoot tegen de schijnwerper die op de grond tegen de balustrade staat.
Dit is haar moment. Het moet nu. Voor haar opa. Ze valt op haar knieën naast opa’s vriend.
Maar ze kan het niet, opa blijft hoe dan ook weg.
‘Het spijt me zo ontzettend’, prevelt hij.
Dan hoort ze een snik, het lichaam schokt.
‘Doe opa de groeten.’
zondag 19 februari 2012
Schijn Bedriegt door Lilian Schneider
Hoewel ik ruim vier maanden geleden Amsterdam tot volle
tevredenheid achter me heb gelaten, om mijn loopbaan te vervolgen bij de
politie Groningen, ben ik nog niet gewend aan de afgelegen locaties op
het platteland. Mijn collega’s hebben bijvoorbeeld standaard een paar
rubberlaarzen in de auto liggen. Die zouden mij op dit moment goed van
pas komen. Met grote passen loop ik achter agent De Wilde aan over het
weiland. Mijn dure leren laarsjes zakken bij elke stap dieper weg in de
drassige grond en al snel voel ik hoe mijn sokken en voeten nat worden.
Veel wijzer zullen we waarschijnlijk niet worden van het bekijken van de
tractor van Sjoerd Rinalda. Een tractor is een tractor. Dat ding zal
ons heus niet vertellen waar zijn eigenaar is gebleven.
Ik zucht diep als de Wilde me zijn arm aanbiedt om me het voertuig in te hijsen. Het is koud en guur en ik wil het liefst zo snel mogelijk terug naar de warme keuken van de boerderij. Wat me tegenhoudt is de gedachte aan de stugge Willem Rinalda, die gisteravond laat naar het bureau belde om zijn broer Sjoerd als vermist op te geven. Een vreemde man vind ik het, die Willem. Hij heeft de hele ochtend nog geen vijf woorden gezegd.
Ik wil net mijn laars afvegen aan het matje in de tractor als mijn oog valt op een sigarettenpeuk. De Wilde ziet het ook en trekt direct een plastic zakje uit zijn binnenzak. Dat is in elk geval iets. Maar misschien rookt Sjoerd gewoon en schieten we er verder niets mee op. We kijken nog wat rond, waarbij ik achtereenvolgens voorover buig om onder de stoelen te loeren, rechtop ga staan om over het land te turen en me voorzichtig van de tractor laat glijden om vervolgens op mijn hurken onder het gevaarte te kijken. Het levert niets op. Helaas is het vannacht gaan regenen, waardoor eventuele voetsporen zijn uitgewist.
Kleumend betreden we even later de behaaglijke ruimte van de boerenhoeve. Willem Rinalda zit aan de keukentafel voor zich uit te staren, zijn vlasblonde haar hangt in slierten langs zijn gezicht. Onze kersverse collega Agnes Veenhuizen staat bij het aanrecht en bestudeert een plastic zak, die ze vlak voor haar ogen houdt. In de zak zit de brief waarin om losgeld wordt gevraagd. Ik was bijna in de lach geschoten toen ik het amateuristische vel voor de eerste keer zag. De letters waren uitgeknipt uit tijdschriften en kranten, wat nogal knullig overkwam. Ik neig ernaar om de hele zaak met een grote korrel zout te nemen. Maar zolang de jongste broer nog niet boven water is, zit er niets anders op dan de zaak bloedserieus te nemen.
Het lijkt erop dat we voorlopig niets zinnigs meer uit Willem krijgen en daarom besluit ik het dorp in te gaan. De Wilde rijdt samen met Agnes terug naar het bureau, waar we later die dag overleg zullen hebben over de overdracht van het losgeld. Geld wat op dit moment nog veilig in de kluis van de Rinalda Hoeve ligt. Rillend van de kou stap ik in mijn auto, start de motor en zet de verwarming op de hoogste stand. Daarna haal ik een doos vochtige doekjes uit het dashboardkastje, trek er een handjevol uit en begin woest over mijn schoenen te wrijven. Echt schoon worden ze niet, maar de dikste kleilaag is er tenminste af. Desondanks zijn mijn vieze schoenen en broekspijpen het eerste waar het groepje mannen in het dorpscafé naar kijkt.
‘Zo, zo dame, nog niet gewend aan platteland?’
Een wat oudere gedrongen man, met een zwaar Gronings accent, kijkt me spottend aan. Hij heeft een bruine vale pet op zijn hoofd en draagt een blauwe werkoverall.
Ik reageer niet op zijn vraag, maar besluit direct van wal te steken.
‘Heeft iemand van jullie Sjoerd Rinalda kortgeleden nog gezien?’
Het groepje neemt me wantrouwend op. Net als ik denk dat er niets uit zal komen, stapt de lompe man naar voren.
‘Die asielzoekerscentra, niks waard. Je ziet het, probeer je iemand te helpen en krijg je dit. Als Sjoerd niet zo nodig dat meidje had willen helpen, had jij hier nu niet gestaan.’
Bij die laatste woorden kijkt hij me uitdagend aan. De toon is gezet. Ik doe nog een laatste poging door te vragen naar de naam van de vrouw, maar het levert niets op. Het enige wat de cafégasten weten te melden, is dat ze een donkere huidskleur heeft. Een chocoladebruin wichtje, zoals zij het noemen.
Buiten regent het inmiddels weer gestaag. Ik trek de kraag van mijn jas beschermend omhoog. Net voordat ik mijn auto in wil stappen, komt de bardame op me afstevenen. De dikke laag make-up valt hier in het daglicht meer op dan in de schemerige ruimte van de bar. Haar helderblauwe ogen kijken me vriendelijk en belangstellend aan.
‘Trek je niets aan van die botte gasten, ze hebben nou eenmaal niet zoveel op met mensen van buitenaf.’
De woorden komen er hijgend uit en ze wacht even tot ze op adem is voordat ze verder gaat.
‘Sjoerd is een prima vent, ik hoop dat jullie hem snel vinden. Dat meidje uit Somalië, Awo heet ze, had onderdak nodig. Ze dreigde het land uitgezet te worden. Ik kon haar niet langer in huis hebben, teveel mensen die hier over de vloer komen, snap je? En Sjoerd leek haar wel leuk te vinden.’
Bij die laatste woorden buigt ze samenzweerderig naar me toe.
‘Weet je dat haar naam geluk voor altijd betekent, mooi hè?'
Een sterke parfumgeur bereikt mijn neus en ik wend snel mijn hoofd af om te niezen. De blonde vrouw kijkt me bevreemd aan.
‘Sorry, ga door,’ weet ik proestend uit te brengen. Ondertussen graai ik in mijn tas naar een tissue.
‘Nou ja, om een lang verhaal kort te maken: Sjoerd heeft haar meegenomen naar de boerderij. Plek zat toch?’
Ze kijkt me triomfantelijk aan. Ik wil nog iets vragen als de deur van het café openzwaait en twee van de kerels van daarnet naar buiten stappen. Zonder me nog een blik waardig te gunnen, draait de vrouw zich om en haast zich naar binnen. Omdat ik geen zin heb in een nieuwe confrontatie met de mannen, stap ik mijn auto in en geef gas.
Op het bureau aangekomen haal ik eerst een bakje koffie, alvorens aan te schuiven aan de vergadertafel.
De Wilde heeft de feiten tot nu toe op het whiteboard geschreven. Het is niet veel.
Verdwijning-ontvoering?-losgeld- slechte verhouding broers.
Mijn collega’s kijken afwachtend mijn kant op en ik vertel in het kort over mijn ontmoeting met de dorpsbewoners.
Het valt niet mee om tot die gesloten gemeenschap door te dringen,’ merkt Piet van Velzen op. ‘Wat dat betreft is Eensum wel een beetje apart’.
Hij is een wat rustige, oudere man, die al heel wat jaren meedraait in dit korps. ‘Maar als je eenmaal hun vertrouwen hebt gewonnen, dan gaan ze voor je door het vuur.’
Agnes schraapt haar keel. ‘Er is nog iets wat van belang kan zijn voor het onderzoek. Er is vanmiddag gebeld door een anonieme tipgever. Deze vrouw wist te vertellen dat Sjoerd Rinalda een regelmatige bezoeker is van de rosse buurt in de stad.’
De Wilde trekt de dop van de stift en voegt rosse buurt aan het rijtje toe. Ik staar naar de woorden en probeerde er een verband in te zien. Het verzamelen van feiten en herkennen van patronen vormen een groot onderdeel van mijn onderzoekswerk. Net op het moment dat ik wil voorstellen om een brainstormsessie te houden, klinkt de ringtone van mijn mobiele telefoon. Ik sta op en loop de kamer uit.
‘Myrthe, we hebben een lichaam gevonden. Het lijkt erop dat het om Rinalda gaat.’
Samen met Agnes stap ik in de auto. De Wilde vertrekt richting de boerderij om daar nog wat rond te kijken.
Vanaf het bureau is het slechts vijf minuten rijden naar de Nieuwstad. Van ver zie ik het rood-witte lint waarmee een stuk van de straat is afgezet. Een aantal prostituees heeft zich naar buiten gewaagd om te kijken wat er aan de hand is, maar het is opvallend hoeveel gordijnen er dicht zijn getrokken. De vrouwen hebben het niet zo op de politie en ook clientèle is in geen velden of wegen te bekennen.
Mannen van de Forensische Recherche lopen in witte pakken rond. Een mij onbekende agent wijst naar een smalle steeg. Dat het lichaam nu pas is gevonden, komt mede doordat het vanaf de straat niet zichtbaar was. Achterin het donkere gangetje staat een grijze kliko en daarachter bevindt zich het plaats delict. Rinalda werd gevonden dankzij een nieuwsgierige hond, die zijn baasje naar het lijk leidde. Hoewel ik best wat gewend ben, schrik ik van wat ik aantref. In een reflex duw ik nieuwkomer Agnes naar achteren. ‘Wacht even. Ik roep je zometeen, oké?’
Forensisch onderzoeker Joost Zeeman reikt me een paar plastic hoesjes aan, die ik routinematig over mijn schoenen trek. Rondom het lijk heeft zich een grote plas bloed gevormd. Ik vraag aan Zeeman hoe Rinalda, ik herken hem direct van de foto, om het leven is gekomen. Zeeman kijkt me doordringend aan en knikt dan richting het onderlichaam van de dode Sjoerd. ‘Waarschijnlijk was hij al buiten bewustzijn, gezien de bult op zijn hoofd.’
Een golf van misselijkheid trekt door me heen als ik de oorprong van het grote bloedverlies zie. Geschokt stel vast dat de dader het slachtoffer heeft beroofd van zijn penis. Het kleine hompje vlees ligt even verderop, als stille getuige in een plasje bloed. Uit alle macht slik ik het gal, wat zich in mijn mond heeft verzameld, door. Het is duidelijk: Sjoerd Rinalda is doodgebloed nadat iemand het geslachtsdeel heeft afgesneden. Volgens de forensisch specialist is het met een scherp mes gebeurd, gezien het feit dat de wond geen kartelranden heeft. Na het beeld nog één keer goed in me opgenomen te hebben, draai ik me om. Agnes staat even verderop op me te wachten. ‘Kom, we gaan wat vragen stellen aan de dames.’
Mijn collega protesteert, maar ik trek haar vastbesloten met me mee. Ik begrijp haar teleurstelling. Het is haar eerste moordzaak, maar ik wil haar hier nog niet aan bloot te stellen. Ze zal gauw genoeg worden geconfronteerd met de gruwelijke kanten van ons werk.
Het is verdacht stil in het pand wat aan de rechterkant van de steeg grenst. Net als ik door wil lopen naar het volgende raam, zie ik door de spleet van het gordijn iets bewegen. Ik klop nogmaals hard op het raam en dat heeft resultaat. Een jonge vrouw met een Afrikaans uiterlijk, schuift schichtig het gordijn opzij. Nadat ze me van top tot teen heeft opgenomen, gebaart ze dat ik naar de voordeur moet komen. Ik zie hoe Agnes bij het linker huis naar binnen stapt.
Een muffe lucht, vermengd met de geur van wierook, verwelkomt me als ik de kleine hal binnenstap. Op de vloer ligt bordeauxrode vloerbedekking, die zo te zien zijn beste tijd heeft gehad, gezien de slijtplekken die her en der in het tapijt zitten. De vrouw voor me is slechts gekleed in een witte doorschijnende slipdress, met daaronder een witte string. Dankzij haar hoge hakken torent ze een eindje boven me uit, maar desondanks maakt ze een kleine, kwetsbare indruk op me. Haar ogen staan moe en ze lijken ergens in de verte te staren. In het peeskamertje, waar dezelfde rode vloerbedekking ligt, wijst ze naar een stoel en gaat zelf op het bed zittten.
Ik vraag hoe ze heet en ze antwoordt met ‘please english’, dus herhaal ik mijn vraag in het Engels.
‘I am Susanna.’
Haar stem klinkt zacht en berustend. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat ze onder invloed van een kalmerend middel is. De vrouw kan zich niet herinneren of ze de man op de foto ooit eerder heeft gezien. Haar handen trillen als ze me de afdruk teruggeeft. Ze werkt hier nu twee maanden zegt ze en ze heeft hem in elk geval niet als klant gehad. Op mijn vraag waar ze oorspronkelijk vandaan komt reageert ze afwerend. Ik begrijp dat ze bang voor me is. Haar angst is niet ongegrond, want ik zou niet raar opkijken als ze hier illegaal in Nederland verblijft. Maar op dit moment zijn immigratiezaken echter geen prioriteit, vandaar dat ik niet verder doorvraag. Toch is er iets wat me dwars zit en het dringt pas tot me door wat het is, als ik al bijna de de deur uit ben. Ik kan het bij het verkeerde eind hebben, het is een wilde gok, maar ik besluit het erop te wagen. Vlak voordat ik over de drempel naar buiten stap, draai ik me snel om en kijk haar recht in de ogen. ‘Awo’.
Ik zeg het woord hard en krachtig en het heeft het beoogde effect. De vrouw tegenover me schrikt zichtbaar en begint ‘nee, nee, nee’ te roepen. Ik duw haar zachtjes terug de gang in en sluit de deur achter ons. Als ze weer op het bed zit begint ze zachtjes te huilen. ‘Het was niet zijn bedoeling om hem te vermoorden. Hij kwam gewoon voor mij op, weet je. Hij is een goede man, Willem.’
Ze spreekt de W uit alsof het een V is, maar er is geen twijfel over wie ze het heeft. Heeft Willem zijn eigen broer vermoord? En waarom? Langzaam begint het me te dagen. Er is geen van een liefdesrelatie tussen Sjoerd Rinalda en de Somalische vluchtelinge. Hier is sprake van vrouwenhandel en het lijkt erop dat Sjoerd er een kwalijke rol in heeft gespeeld. ‘Heeft Sjoerd je pijn gedaan?’
Awo huilt nog steeds. ‘Hij was een slechte man. Ik moest geld voor hem verdienen, anders sloeg hij me’.
Ze schuift haar witte jurkje een stukje omhoog en laat me de bloeduitstorting op haar heup zien. Ik denk aan de lovende woorden van de dorpsbewoners. Zullen zij geloven dat de charmante jonge boer tot zoiets in staat bleek te zijn?
Nu ze eenmaal haar verhaal kan doen is Awo niet meer te stoppen 'Hij had bijna elke dag seks met me. Deze week heeft hij me zelfs meegenomen naar de boerderij.’
Wat ze vertelt klopte met de verhalen die ik heb gehoord over het meisje dat op de boerenhoeve is gezien.
‘En Willem?’
‘Willem is goed. Toen ik in hun huis was, hoorde hij hoe zijn broer me verkrachtte.’
Ze stopt even en lijkt te aarzelen of ze verder moest gaan. Er loopt een straaltje snot uit haar neus, die ze afwezig met haar hand wegveegt. Ik knik haar bemoedigend toe.
‘Eergisteren kwam Willem en hij zag me huilen. Toen hij zag hoe zijn broer me uitlachte, werd hij woest. Buiten heeft hij het gedaan. Hij heeft zijn ‘ding’ eraf gesneden. En toen is hij weggerend.’
Awa durft het geslachtsdeel duidelijk niet expliciet te noemen. Ze kijkt me schuldbewust aan. ‘Ik heb niemand iets verteld.’
Terwijl we in de auto richting de binnenstad rijden, probeer ik tot me door te laten dringen wat ik zojuist heb gehoord. Agnes zit samen met Awo, die snel een joggingpak over haar ondergoed had aangetrokken, op de achterbank en praat zachtjes met haar. Ze zal in voorlopige hechtenis worden genomen, totdat besloten is wat er verder met haar moet gebeuren. Nadat ik mijn collega samen met de vluchtelinge heb afgezet bij het bureau, vertrek ik naar Eensum. Het arrestatieteam is ingeschakeld en ze kunnen elk moment arriveren. Mijn intuitie van eerder die dag is juist gebleken. De losgeldbrief was slechts bedoeld als afleiding, een dwaalspoor die Willem had gezet om de verdenking van hem af te leiden. In zijn paniek had hij er echter niet bij stilgestaan dat Awo haar verhaal aan de politie zou doen.
Ik rijd het dorp in en minder vaart. Een ambulance met zwaailicht en sirene vliegt me met een bloedgang voorbij. Ik vraag me af waar hij naar onderweg is en in mijn onderbuik begint het te draaien. Mijn vermoeden wordt bevestigd als ik in de verte de boerderij zie liggen en blauwe lichten op het terrein zie flitsen. Ik trap het gaspedaal dieper in en zodra ik stilsta op het erf, spring ik de auto uit en ren richting de stallen.
Willem ligt achterover op een baal hooi, met een stuk touw om zijn hals. De ambulancebroeder staat over hem heen gebogen. Hij schudt zijn hoofd.
‘Toen ik hem zag hangen, heb ik direct het touw doorgesneden,’ zegt de Wilde met schorre stem. Hij staat met een bleek gezicht te kijken naar het schouwspel wat zich voor ons afspeelt en lijkt zich nog steeds niet te beseffen dat de man echt dood is. Ik zucht diep en loop langzaam, met mijn handen in mijn zakken, de stal uit. Terwijl ik over het weidse landschap kijk besef ik me hoe slecht wij onze medemens eigenlijk kennen. De eerste indruk van de ander blijkt niet altijd de juiste te zijn. Ik open het portier van mijn auto. Tijd om naar het bureau te gaan en verslag uit te brengen. Het nieuws zal zich waarschijnlijk als een lopend vuurtje door Eensum verspreiden. Hoewel ik niet altijd blij ben met de soms koppige houding van de mensen hier, voel ik toch mee met de kleine gesloten dorpsgemeenschap, waar een brute moord, gevolgd door de zelfmoord van de oudste broer Rinalda, diepe sporen zal achterlaten bij de mensen die ze goed gekend hebben.
Ik zucht diep als de Wilde me zijn arm aanbiedt om me het voertuig in te hijsen. Het is koud en guur en ik wil het liefst zo snel mogelijk terug naar de warme keuken van de boerderij. Wat me tegenhoudt is de gedachte aan de stugge Willem Rinalda, die gisteravond laat naar het bureau belde om zijn broer Sjoerd als vermist op te geven. Een vreemde man vind ik het, die Willem. Hij heeft de hele ochtend nog geen vijf woorden gezegd.
Ik wil net mijn laars afvegen aan het matje in de tractor als mijn oog valt op een sigarettenpeuk. De Wilde ziet het ook en trekt direct een plastic zakje uit zijn binnenzak. Dat is in elk geval iets. Maar misschien rookt Sjoerd gewoon en schieten we er verder niets mee op. We kijken nog wat rond, waarbij ik achtereenvolgens voorover buig om onder de stoelen te loeren, rechtop ga staan om over het land te turen en me voorzichtig van de tractor laat glijden om vervolgens op mijn hurken onder het gevaarte te kijken. Het levert niets op. Helaas is het vannacht gaan regenen, waardoor eventuele voetsporen zijn uitgewist.
Kleumend betreden we even later de behaaglijke ruimte van de boerenhoeve. Willem Rinalda zit aan de keukentafel voor zich uit te staren, zijn vlasblonde haar hangt in slierten langs zijn gezicht. Onze kersverse collega Agnes Veenhuizen staat bij het aanrecht en bestudeert een plastic zak, die ze vlak voor haar ogen houdt. In de zak zit de brief waarin om losgeld wordt gevraagd. Ik was bijna in de lach geschoten toen ik het amateuristische vel voor de eerste keer zag. De letters waren uitgeknipt uit tijdschriften en kranten, wat nogal knullig overkwam. Ik neig ernaar om de hele zaak met een grote korrel zout te nemen. Maar zolang de jongste broer nog niet boven water is, zit er niets anders op dan de zaak bloedserieus te nemen.
Het lijkt erop dat we voorlopig niets zinnigs meer uit Willem krijgen en daarom besluit ik het dorp in te gaan. De Wilde rijdt samen met Agnes terug naar het bureau, waar we later die dag overleg zullen hebben over de overdracht van het losgeld. Geld wat op dit moment nog veilig in de kluis van de Rinalda Hoeve ligt. Rillend van de kou stap ik in mijn auto, start de motor en zet de verwarming op de hoogste stand. Daarna haal ik een doos vochtige doekjes uit het dashboardkastje, trek er een handjevol uit en begin woest over mijn schoenen te wrijven. Echt schoon worden ze niet, maar de dikste kleilaag is er tenminste af. Desondanks zijn mijn vieze schoenen en broekspijpen het eerste waar het groepje mannen in het dorpscafé naar kijkt.
‘Zo, zo dame, nog niet gewend aan platteland?’
Een wat oudere gedrongen man, met een zwaar Gronings accent, kijkt me spottend aan. Hij heeft een bruine vale pet op zijn hoofd en draagt een blauwe werkoverall.
Ik reageer niet op zijn vraag, maar besluit direct van wal te steken.
‘Heeft iemand van jullie Sjoerd Rinalda kortgeleden nog gezien?’
Het groepje neemt me wantrouwend op. Net als ik denk dat er niets uit zal komen, stapt de lompe man naar voren.
‘Die asielzoekerscentra, niks waard. Je ziet het, probeer je iemand te helpen en krijg je dit. Als Sjoerd niet zo nodig dat meidje had willen helpen, had jij hier nu niet gestaan.’
Bij die laatste woorden kijkt hij me uitdagend aan. De toon is gezet. Ik doe nog een laatste poging door te vragen naar de naam van de vrouw, maar het levert niets op. Het enige wat de cafégasten weten te melden, is dat ze een donkere huidskleur heeft. Een chocoladebruin wichtje, zoals zij het noemen.
Buiten regent het inmiddels weer gestaag. Ik trek de kraag van mijn jas beschermend omhoog. Net voordat ik mijn auto in wil stappen, komt de bardame op me afstevenen. De dikke laag make-up valt hier in het daglicht meer op dan in de schemerige ruimte van de bar. Haar helderblauwe ogen kijken me vriendelijk en belangstellend aan.
‘Trek je niets aan van die botte gasten, ze hebben nou eenmaal niet zoveel op met mensen van buitenaf.’
De woorden komen er hijgend uit en ze wacht even tot ze op adem is voordat ze verder gaat.
‘Sjoerd is een prima vent, ik hoop dat jullie hem snel vinden. Dat meidje uit Somalië, Awo heet ze, had onderdak nodig. Ze dreigde het land uitgezet te worden. Ik kon haar niet langer in huis hebben, teveel mensen die hier over de vloer komen, snap je? En Sjoerd leek haar wel leuk te vinden.’
Bij die laatste woorden buigt ze samenzweerderig naar me toe.
‘Weet je dat haar naam geluk voor altijd betekent, mooi hè?'
Een sterke parfumgeur bereikt mijn neus en ik wend snel mijn hoofd af om te niezen. De blonde vrouw kijkt me bevreemd aan.
‘Sorry, ga door,’ weet ik proestend uit te brengen. Ondertussen graai ik in mijn tas naar een tissue.
‘Nou ja, om een lang verhaal kort te maken: Sjoerd heeft haar meegenomen naar de boerderij. Plek zat toch?’
Ze kijkt me triomfantelijk aan. Ik wil nog iets vragen als de deur van het café openzwaait en twee van de kerels van daarnet naar buiten stappen. Zonder me nog een blik waardig te gunnen, draait de vrouw zich om en haast zich naar binnen. Omdat ik geen zin heb in een nieuwe confrontatie met de mannen, stap ik mijn auto in en geef gas.
Op het bureau aangekomen haal ik eerst een bakje koffie, alvorens aan te schuiven aan de vergadertafel.
De Wilde heeft de feiten tot nu toe op het whiteboard geschreven. Het is niet veel.
Verdwijning-ontvoering?-losgeld- slechte verhouding broers.
Mijn collega’s kijken afwachtend mijn kant op en ik vertel in het kort over mijn ontmoeting met de dorpsbewoners.
Het valt niet mee om tot die gesloten gemeenschap door te dringen,’ merkt Piet van Velzen op. ‘Wat dat betreft is Eensum wel een beetje apart’.
Hij is een wat rustige, oudere man, die al heel wat jaren meedraait in dit korps. ‘Maar als je eenmaal hun vertrouwen hebt gewonnen, dan gaan ze voor je door het vuur.’
Agnes schraapt haar keel. ‘Er is nog iets wat van belang kan zijn voor het onderzoek. Er is vanmiddag gebeld door een anonieme tipgever. Deze vrouw wist te vertellen dat Sjoerd Rinalda een regelmatige bezoeker is van de rosse buurt in de stad.’
De Wilde trekt de dop van de stift en voegt rosse buurt aan het rijtje toe. Ik staar naar de woorden en probeerde er een verband in te zien. Het verzamelen van feiten en herkennen van patronen vormen een groot onderdeel van mijn onderzoekswerk. Net op het moment dat ik wil voorstellen om een brainstormsessie te houden, klinkt de ringtone van mijn mobiele telefoon. Ik sta op en loop de kamer uit.
‘Myrthe, we hebben een lichaam gevonden. Het lijkt erop dat het om Rinalda gaat.’
Samen met Agnes stap ik in de auto. De Wilde vertrekt richting de boerderij om daar nog wat rond te kijken.
Vanaf het bureau is het slechts vijf minuten rijden naar de Nieuwstad. Van ver zie ik het rood-witte lint waarmee een stuk van de straat is afgezet. Een aantal prostituees heeft zich naar buiten gewaagd om te kijken wat er aan de hand is, maar het is opvallend hoeveel gordijnen er dicht zijn getrokken. De vrouwen hebben het niet zo op de politie en ook clientèle is in geen velden of wegen te bekennen.
Mannen van de Forensische Recherche lopen in witte pakken rond. Een mij onbekende agent wijst naar een smalle steeg. Dat het lichaam nu pas is gevonden, komt mede doordat het vanaf de straat niet zichtbaar was. Achterin het donkere gangetje staat een grijze kliko en daarachter bevindt zich het plaats delict. Rinalda werd gevonden dankzij een nieuwsgierige hond, die zijn baasje naar het lijk leidde. Hoewel ik best wat gewend ben, schrik ik van wat ik aantref. In een reflex duw ik nieuwkomer Agnes naar achteren. ‘Wacht even. Ik roep je zometeen, oké?’
Forensisch onderzoeker Joost Zeeman reikt me een paar plastic hoesjes aan, die ik routinematig over mijn schoenen trek. Rondom het lijk heeft zich een grote plas bloed gevormd. Ik vraag aan Zeeman hoe Rinalda, ik herken hem direct van de foto, om het leven is gekomen. Zeeman kijkt me doordringend aan en knikt dan richting het onderlichaam van de dode Sjoerd. ‘Waarschijnlijk was hij al buiten bewustzijn, gezien de bult op zijn hoofd.’
Een golf van misselijkheid trekt door me heen als ik de oorprong van het grote bloedverlies zie. Geschokt stel vast dat de dader het slachtoffer heeft beroofd van zijn penis. Het kleine hompje vlees ligt even verderop, als stille getuige in een plasje bloed. Uit alle macht slik ik het gal, wat zich in mijn mond heeft verzameld, door. Het is duidelijk: Sjoerd Rinalda is doodgebloed nadat iemand het geslachtsdeel heeft afgesneden. Volgens de forensisch specialist is het met een scherp mes gebeurd, gezien het feit dat de wond geen kartelranden heeft. Na het beeld nog één keer goed in me opgenomen te hebben, draai ik me om. Agnes staat even verderop op me te wachten. ‘Kom, we gaan wat vragen stellen aan de dames.’
Mijn collega protesteert, maar ik trek haar vastbesloten met me mee. Ik begrijp haar teleurstelling. Het is haar eerste moordzaak, maar ik wil haar hier nog niet aan bloot te stellen. Ze zal gauw genoeg worden geconfronteerd met de gruwelijke kanten van ons werk.
Het is verdacht stil in het pand wat aan de rechterkant van de steeg grenst. Net als ik door wil lopen naar het volgende raam, zie ik door de spleet van het gordijn iets bewegen. Ik klop nogmaals hard op het raam en dat heeft resultaat. Een jonge vrouw met een Afrikaans uiterlijk, schuift schichtig het gordijn opzij. Nadat ze me van top tot teen heeft opgenomen, gebaart ze dat ik naar de voordeur moet komen. Ik zie hoe Agnes bij het linker huis naar binnen stapt.
Een muffe lucht, vermengd met de geur van wierook, verwelkomt me als ik de kleine hal binnenstap. Op de vloer ligt bordeauxrode vloerbedekking, die zo te zien zijn beste tijd heeft gehad, gezien de slijtplekken die her en der in het tapijt zitten. De vrouw voor me is slechts gekleed in een witte doorschijnende slipdress, met daaronder een witte string. Dankzij haar hoge hakken torent ze een eindje boven me uit, maar desondanks maakt ze een kleine, kwetsbare indruk op me. Haar ogen staan moe en ze lijken ergens in de verte te staren. In het peeskamertje, waar dezelfde rode vloerbedekking ligt, wijst ze naar een stoel en gaat zelf op het bed zittten.
Ik vraag hoe ze heet en ze antwoordt met ‘please english’, dus herhaal ik mijn vraag in het Engels.
‘I am Susanna.’
Haar stem klinkt zacht en berustend. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat ze onder invloed van een kalmerend middel is. De vrouw kan zich niet herinneren of ze de man op de foto ooit eerder heeft gezien. Haar handen trillen als ze me de afdruk teruggeeft. Ze werkt hier nu twee maanden zegt ze en ze heeft hem in elk geval niet als klant gehad. Op mijn vraag waar ze oorspronkelijk vandaan komt reageert ze afwerend. Ik begrijp dat ze bang voor me is. Haar angst is niet ongegrond, want ik zou niet raar opkijken als ze hier illegaal in Nederland verblijft. Maar op dit moment zijn immigratiezaken echter geen prioriteit, vandaar dat ik niet verder doorvraag. Toch is er iets wat me dwars zit en het dringt pas tot me door wat het is, als ik al bijna de de deur uit ben. Ik kan het bij het verkeerde eind hebben, het is een wilde gok, maar ik besluit het erop te wagen. Vlak voordat ik over de drempel naar buiten stap, draai ik me snel om en kijk haar recht in de ogen. ‘Awo’.
Ik zeg het woord hard en krachtig en het heeft het beoogde effect. De vrouw tegenover me schrikt zichtbaar en begint ‘nee, nee, nee’ te roepen. Ik duw haar zachtjes terug de gang in en sluit de deur achter ons. Als ze weer op het bed zit begint ze zachtjes te huilen. ‘Het was niet zijn bedoeling om hem te vermoorden. Hij kwam gewoon voor mij op, weet je. Hij is een goede man, Willem.’
Ze spreekt de W uit alsof het een V is, maar er is geen twijfel over wie ze het heeft. Heeft Willem zijn eigen broer vermoord? En waarom? Langzaam begint het me te dagen. Er is geen van een liefdesrelatie tussen Sjoerd Rinalda en de Somalische vluchtelinge. Hier is sprake van vrouwenhandel en het lijkt erop dat Sjoerd er een kwalijke rol in heeft gespeeld. ‘Heeft Sjoerd je pijn gedaan?’
Awo huilt nog steeds. ‘Hij was een slechte man. Ik moest geld voor hem verdienen, anders sloeg hij me’.
Ze schuift haar witte jurkje een stukje omhoog en laat me de bloeduitstorting op haar heup zien. Ik denk aan de lovende woorden van de dorpsbewoners. Zullen zij geloven dat de charmante jonge boer tot zoiets in staat bleek te zijn?
Nu ze eenmaal haar verhaal kan doen is Awo niet meer te stoppen 'Hij had bijna elke dag seks met me. Deze week heeft hij me zelfs meegenomen naar de boerderij.’
Wat ze vertelt klopte met de verhalen die ik heb gehoord over het meisje dat op de boerenhoeve is gezien.
‘En Willem?’
‘Willem is goed. Toen ik in hun huis was, hoorde hij hoe zijn broer me verkrachtte.’
Ze stopt even en lijkt te aarzelen of ze verder moest gaan. Er loopt een straaltje snot uit haar neus, die ze afwezig met haar hand wegveegt. Ik knik haar bemoedigend toe.
‘Eergisteren kwam Willem en hij zag me huilen. Toen hij zag hoe zijn broer me uitlachte, werd hij woest. Buiten heeft hij het gedaan. Hij heeft zijn ‘ding’ eraf gesneden. En toen is hij weggerend.’
Awa durft het geslachtsdeel duidelijk niet expliciet te noemen. Ze kijkt me schuldbewust aan. ‘Ik heb niemand iets verteld.’
Terwijl we in de auto richting de binnenstad rijden, probeer ik tot me door te laten dringen wat ik zojuist heb gehoord. Agnes zit samen met Awo, die snel een joggingpak over haar ondergoed had aangetrokken, op de achterbank en praat zachtjes met haar. Ze zal in voorlopige hechtenis worden genomen, totdat besloten is wat er verder met haar moet gebeuren. Nadat ik mijn collega samen met de vluchtelinge heb afgezet bij het bureau, vertrek ik naar Eensum. Het arrestatieteam is ingeschakeld en ze kunnen elk moment arriveren. Mijn intuitie van eerder die dag is juist gebleken. De losgeldbrief was slechts bedoeld als afleiding, een dwaalspoor die Willem had gezet om de verdenking van hem af te leiden. In zijn paniek had hij er echter niet bij stilgestaan dat Awo haar verhaal aan de politie zou doen.
Ik rijd het dorp in en minder vaart. Een ambulance met zwaailicht en sirene vliegt me met een bloedgang voorbij. Ik vraag me af waar hij naar onderweg is en in mijn onderbuik begint het te draaien. Mijn vermoeden wordt bevestigd als ik in de verte de boerderij zie liggen en blauwe lichten op het terrein zie flitsen. Ik trap het gaspedaal dieper in en zodra ik stilsta op het erf, spring ik de auto uit en ren richting de stallen.
Willem ligt achterover op een baal hooi, met een stuk touw om zijn hals. De ambulancebroeder staat over hem heen gebogen. Hij schudt zijn hoofd.
‘Toen ik hem zag hangen, heb ik direct het touw doorgesneden,’ zegt de Wilde met schorre stem. Hij staat met een bleek gezicht te kijken naar het schouwspel wat zich voor ons afspeelt en lijkt zich nog steeds niet te beseffen dat de man echt dood is. Ik zucht diep en loop langzaam, met mijn handen in mijn zakken, de stal uit. Terwijl ik over het weidse landschap kijk besef ik me hoe slecht wij onze medemens eigenlijk kennen. De eerste indruk van de ander blijkt niet altijd de juiste te zijn. Ik open het portier van mijn auto. Tijd om naar het bureau te gaan en verslag uit te brengen. Het nieuws zal zich waarschijnlijk als een lopend vuurtje door Eensum verspreiden. Hoewel ik niet altijd blij ben met de soms koppige houding van de mensen hier, voel ik toch mee met de kleine gesloten dorpsgemeenschap, waar een brute moord, gevolgd door de zelfmoord van de oudste broer Rinalda, diepe sporen zal achterlaten bij de mensen die ze goed gekend hebben.
Abonneren op:
Posts (Atom)